Communicatie en cognitie in het taalgebruik

Door Flip G. Droste

Communicatie & Cognitie, hier tot een eenheid samengevoegd door het &-symbool, zijn als lichaam en brein: alleen in samenspel komen ze tot leven. Dat geldt zeker voor de natuurlijke menselijke taal: buitenkant-binnenkant, vorm-functie. Dat het in het taalgebruik om tekens en tekengeving gaat lijkt evident. Het taalteken in de theorie van De Saussure, schijnt echter aan de gedwongen samenhang te ontglippen. Voor hem is het taalteken een abstractie: “Le signe linguistique unit non une chose et un nom, mais un concept et une image acoustique”. Daarbij wordt echter uit het oog verloren dat dat ‘signe’, dat taalteken, alleen functioneert dankzij de lichamelijke realisatie. Het teken voltooit zich op de adem, zodat er volgens het Oude Testament pas licht is als de schepper licht zegt: longen, luchtpijp, mondholte.

Zoals de cognitie het niet redt zonder communicatie, zo moet de communicatie “iets” te communiceren hebben wil het enig bestaansrecht krijgen. Daarbij rijst de vraag of in het samenspel van beide, toch niet de een fundamenteel, de ander secundair is. In de laatste decennia lijkt de cognitie, de ‘thought’ het wezen van het taalgebruik te vormen en is de communicatie eerder een afgeleide. Zo zegt Chomsky in te stemmen met de theorie die stelt dat “Language is ‘essentially’ a system for expression of thought”. Daarmee gaat hij in tegen de opvatting van de filosoof J.Searle voor wie gold (en is blijven gelden) “The purpose of language is communication in much the same sense that the purpose of the heart is to pump blood”. Die overeenkomst in functie tussen een spier en een abstract systeem lijkt overigens nogal betwijfelbaar, zoals verderop ook zal blijken.  

Als er dan toch vergeleken moet worden, is de vergelijking tussen de zang van vogels en de taal van mensen informatiever. Met de vogels hebben wij een aantal lijfelijke bouwprincipes gemeen, onze strottenhoofden vertonen overeenkomst en we zijn allebei zangers. Die drie nauw samenhangende kwaliteiten heeft de evolutie voor ons verzorgd. Als vogels niet vliegen zijn ze, net als de mensen, rechtop gaand: “The evolution of bipedal walking is probably the most significant of all features shown by the hominids”.Die rechte gang heeft, ook bij de vogel, de vrije ontwikkeling van het strottenhoofd mogelijk gemaakt en dientengevolge kunnen we zingen. Zingend communiceren wij en zingend zijn we uiteindelijk taalgebruikers geworden (vgl. Droste 2005).

Zingend en roepend onderhouden vogels contact: klanken op de ademstroom. De eksters in mijn tuin, de vlaamse gaaien en de houtduiven, de merels, ze vliegen in paren. En als het samengaan, de eenheid even opgeheven is  –  elk de eigen vlucht  –  werpen ze elkaar geluiden toe. Dat zijn de signalen van saamhorigheid, waardoor ze elkaar moeiteloos terugvinden. Het belang van dit type communicatie mag niet onderschat worden: ze bevordert de paarvorming, onderhoudt die ook en blijkt essentieel voor het voortbestaan van de soort.

Voor dat klinkende vogelcontact spreken we liever van signalen dan van tekens, ‘signals, no signs’. Tekens  –  en daarbij gaat het ons om taaltekens  –  zijn immers complex, gestructureerd, variabel. De signalen van vogels zijn daarentegen enkelvoudig, gestandaardiseerd, invariabel. De vraag is of we met dat laatste de communicatie van al wat vogel is niet tekort doen. Als wordt geconstateerd dat in de zang van de vink tenminste vier geledingen onderscheiden kunnen worden (ik ben van de soort Fringilla Coelebs, dit is mijn domein, ik ben individu FCx, ik heb geen vrouwtje), is dat dan door de complexe structuur toch niet eerder teken dan signaal? Moeten we hier niet iets als een syntactische structuur onderkennen? Nee, dat mag niet. Om te beginnen ligt de structuur vast, er kan niet gevarieerd worden zoals mensen doen met hun taaltekens, te weten de zinnen. Bovendien zijn er, zo men wil, wel meerdere aspecten, maar die bepalen elkaar niet nader, zijn niet onderling afhankelijk. Bij ieder taalteken, d.w.z. bij iedere zin is dat wel heel anders: denk maar aan de syntactische en semantische relaties die geborgen liggen in elke (NC-VC)Z: de NC vereist een VC-complement, en de VC vereist een NC-complement.

Geen vogeltaal dus, althans niet in het vocabularium van de taalkundige. Maar hoe moeten we dan Gezelles fraaie voorstelling interpreteren: Als de ziele luistert, spreekt het al een taal dat leeft ? Die poëtische uitspraak lijkt in ieder geval goed verenigbaar met wat een vooranstaande filosoof en semanticus, C.S.Peirce ooit gesteld heeft: “The entire universe is perfused with signs, if it is not composed exclusively of signs”. Willen we deze twee fraaie uitspraken weerleggen, puur taalkundig gezien, dan moeten we de notie “teken” of het woord teken nader begrenzen, zeker als we de relatie communicatie & cognitie nauwkeuriger willen schetsen. Die begrenzing maken we overigens maar in enkele hoofdlijnen, want de wereld van het teken  –  zie weer Peirce  –  is oeverloos, net zoals de theorieën erover. 

Een van de onderzoekers op wie semantici veelal teruggrijpen is Morris. Voor hem werken in de betekenisgeving van de taal drie factoren, te weten “the sign vehicle, the designatum and the interpretant”. Een voorbeeld: er is het woord appel, er is de vrucht, het object waarnaar verwezen wordt, en er is het effect dat het teken op de hoorder heeft, “the effect on some interpreter in which the thing in question is a sign to that interpreter”. Aan elk van die drie factoren kunnen uiteenlopende semantische theorieën gelieerd worden, die in de loop van de voorbije jaren het onderzoeksgebied hebben gedomineerd. De referentiële en extensionele interpretaties concentreren zich op de relatie met verschijnselen buiten de taal. De attitudinele interpretatie beschrijft het verband met de mentale toestand van de taalgebruiker. De cognitieve interpretatie, meest actueel, verwijst naar de denkprocessen die ontwikkeld worden in het taalgebruik. 

Als we ons toch aan een generaliserende greep wagen, mogen we stellen dat de klassieke visie op het taalteken  –  waarin vijfentwintig eeuwen filosofie samenvloeien  –  de referentiële relatie als kerngegeven beschouwen. Daarin volgt men dan, m.m., de voorstelling van Frege (1892!) voor wie de uitdrukkingen de morgenster en de avondster wel verschillen in hun Sinn, maar voor wie de Bedeutung gelijk is: ze referen immers beide aan dezelfde planeet. Hij stelt dan ook nadrukkelijk: “Die Bedeutung”  –  en dat is: de betekenis  –  “eines Eigennamens ist der Gegenstand selbst, den wir damit bezeichnen”. Om niet geheel te verdwalen in een grondige behandeling van de semantiek, houden we het er hier op, dat het (taal)teken een triadische relatie vastlegt, zoals dat bij voorbeeld geschematiseerd is door Ogden & Richards:  

                                                          sense

                                   sign                 SIGN             referent 

                                 vehicle

               De auteurs definiëren dit als “the semiotic triangle”.

Voorlopig houden we het erop, dat dit de vrij algemeen aanvaarde structuur van een teken is: vorm, inhoud en buitentalig object.

Keren we nu terug naar de geluiden die vogelparen elkaar toewerpen om contact te onderhouden, dan constateren we dat daarin de ‘sense’ ontbreekt, zowel die in de zin van Frege als van Ogden & Richards. We beperken ons tot die specifieke conactvormen en willen zeker erkennen dat er in het communicatieve arsenaal van vogels ook klankvormen zijn met een ‘sense’, een inhoud. Er zijn om maar iets te noemen waarschuwingen, die wezenlijk verschillen van de roep van ouder naar kind en omgekeerd, en van wat we dan maar ‘liederen van verlangen’ noemen. Maar in de contactgeluiden ontbreekt een dergelijke ‘sense’. We mogen geen antropocentrische oplossingen zoeken als “Ik ben hier!” of erger nog “Kom je?” Het is duidelijk dat de roep op zichzelf voldoet als communicatiemiddel voor dat ene doel. Als definitie graven we hiervoor het lang vergeten adagium van McLuhan op, te weten The medium is the message. De klankvorm valt samen met het signaal, is het signaal. Vergelijk het maar met het signaal dat een vuurtoren uitzendt (of uitzond) en met dat van de stadssirene. Zeker als aangenomen moet worden dat het teken, meer in het bijzonder het taalteken, iets als een ‘thought’, een gedachte, een inhoud draagt, dan mogen we concluderen dat wat we het ‘contactsignaal’ van vogels noemen, de vorm tot inhoud heeft. 

Bepalen we ons nu tot het taalteken, dan hebben we al geconstateerd dat de minimale eenheid van tekengeving de zin is (of de uiting). In het taalgebruik opereren we immers uitsluitend met zinnen, niet met op zichzelf staande woorden: en éénwoordzinnen zijn ook zinnen! En niet alleen onderhouden we contact met zinnen, maar we leven een goed deel van ons leven in door taal opgeroepen werelden (net zoals bij voorbeeld hier in deze bladzijden gebeurt). Denkend, plannen makend, overleggend met anderen, leven we in mental werelden: en die worden dus gevuld met gedachten, zoals zinnen die vastleggen. Blijkbaar is de mensensoort zo sterk geintellectualiseerd, dat we niet alleen gedachten naar elkaar overseinen, maar we vullen er ook een goed deel van ons individuele bestaan mee. Dat we gedachten communiceren blijkt uit het feit, dat iedere bewering ook aanvechtbaar is. Zelfs zoiets simpels als Mientje huilt kan immers bestreden worden: Nee, ze huilt niet, ze brabbelt wat. En ze kunnen bestreden worden, omdat ze gestructureerd zijn en verband tussen twee zaken nu eenmaal principieel discutabel is. De gestructureerde inhoud van een zin noemen we ‘gedachte’ (‘thought’), maar de filosofie noemt het al eeuwen ‘propositie’, meer in het bijzonder ‘subject-predicaatpropositie’ (vgl. Droste 2017). Als men liever stelt dat een zin een S-P-propositie behelst, kunnen we daar vrede mee hebben.

De zgn. éénwoordzinnen zijn alleen in schijn strijdig met dit principe. Zelfs het zinswoord Ja mag uit één woord bestaan  –  één vorm  –  maar de inhoud, de gedachte die erdoor gedekt wordt is gestructureerd: [ja / “ik kom”]. Communicatief volstaat het enkelvoudige, omdat het meervoudige, de gestructureerde gedachte, leeft in de dialoog. Anders gezegd: wat gedacht wordt mag ingekort worden gecommuniceerd, omdat de gedachte gedeeld wordt door de gesprekspartners. Met deze laatste constatering schuiven we in de richting van Morris en “the effect on some interpreter”. En gaan we aan een ernstige omissie denken in de triadische figuur van Ogden & Richards: hun taalteken zweeft in een ongedefinieerde ruimte, kent geen rol toe aan de taalgebruikers. Maar als de complexe taaltekens waarmee wij communiceren vormen van taalgebruik zijn, dan is er gebondenheid (en afhankelijkheid) naar twee kanten: zender en ontvanger.

Het gewicht van het communicatieve neemt toe met erkenning van de rol van die laatste. Gaat dat ten koste van het cognitieve? Bij het meerendeel van de items die wij ‘interjectie’ noemen is dat kennelijk niet het geval. Maar binnen die laatste categorie zijn er wel weer uitzonderlijke gevallen. We noemen het nog wel interjecties, maar het zijn ook  –  communicatief gezien  –  éénwoordzinnen. Die kunnen echter geen aanspraak maken op de betiteling ‘teken’, omdat er een gedachte ontbreekt waarnaar de vorm verwijst. We brengen ze daarom niet bij de tekens onder, maar bij de signalen. Het zijn de begroetingssignalen als Hoi!, Adieu!, Aju!, Dag!, Groetjes!, enz. Om toch van ‘teken’ te kunnen speken zou men hier een inhoud kunnen verzinnen, een ‘sense’ als “groet”, of zoiets als in de standaard éénwoordzinnen, een complete gedachte: “Ik groet je”. Maar zo wordt het niet  ervaren door de gebruiker. Voor hem verwijst de vorm Dag! niet naar een bedachte inhoud, maar vallen vorm en inhoud samen. Eerder zou je kunnen zeggen dat het aanleunt bij een groetend gebaar met de hand, het zwaaien met een zakdoek. Dit in tegenstelling tot een interjectie als Oei! dat een inhoud als “schrik” heeft of Ah! met de inhoud “verbazing” of Bah! met “vies” of “afkeer”. Ook hier geldt dus The medium is the message, net als bij de roep van de eksters en andere vogelparen. Er is dus alle reden om ze ook onder te brengen in een aparte subklasse: die van de al genoemde contactsignalen. ‘Vehicle’ en ‘sense’ vallen in die categorie samen, net als in de brul van de sirene, de schoolbel aan het eind van de les, de fietsbel en de autotoeter. Het cognitieve lost op in het communicatieve, hetgeen een toenemend belang van het communicatieve aspect betekent voor het taalgebruik.

Daar komt dit bij. Bij de begroetingssignalen wordt er niet, referentieel, verwezen naar een buitentalig fenomeen, maar er wordt uitsluitend geopereerd binnen het taalgebruik zelf, binnen de dialoog. Maar geldt dit niet, m.m., ook voor de éénwoordzin? Is daarin de verwijzing naar een  veronderstelde en gedeelde inhoud ook niet beperkt tot de dialoog zelf? Hier is het cognitieve al aanwezig in de mentale voorstelling van beide gesprekspartners en het Ja als antwoord bevestigt wat er aan gedachte al gegeven was. Het zinswoord verwijst naar “Ik kom ook” en haakt daarmee aan op de vraag van de eerste spreker “Kom jij ook?” Met het zinswoord worden de inhouden van vraag en antwoord op elkaar afgestemd, maar daarmee worden gedachten gekoppeld en geen personen of verschijnselen in de werkelijkheid, althans niet op talig niveau  –  de vorm verwijst naar betekende voorstellingen die in de dialoog aanwezig zijn. 

Hier blijkt dus, evenmin als in de contactsignalen, enige referentie naar buitentalige objecten of gebeurtenissen te worden gelegd. De gesprekspartners gaan immers uit van de al gerealiseerde gedachte en nemen die als feitelijk uitgangspunt voor de éénwoordzin. We hebben nu dus al twee categorieën taalgebruik die niet verwijzen naar het buitentalige: tekengeving zonder het Fregeaanse type referentie  –  wel referentie overigens, maar als gedachte. In de dialoog  –  en alle taalgebruik is uiteindelijk dialoog  –  zo begint het te lijken, is alle betekenisoverdracht het overseinen van gedachten. Het communicatieve draagt het cognitieve in zich en een buitenwereld is er niet op het moment van het gesprek. De spreker bouwt een gedachte op met lexicale elementen plus het propositionele principe en seint die gestructureerde denkvorm via de bijpassende woordvorm over naar de hoorder. En die bouwt op basis van de communicatie een gedachte op die parallel loopt aan die van de ander. Zelfs met het woord Mientje in de zin Mientje huilt wordt niet verwezen naar het kind, het menselijk wezen, maar naar de betekenis die bij de klankvorm hoort: “mientje” dus. Als de hoorder die eigennaamsbetekenis niet kent, slaagt de communicatie niet. De vraag rijst dan ook of eigennamen niet, net als contactsignalen, zichzelf als naam (en teken) genoeg zijn. Dat het cognitieve vermogen een reeks eigenschappen kan toekennen en eventueel ook een referentiële relatie kan leggen naar de persoon, valt dan buiten de taal als tekensysteem.  Al wordt de talige informatie natuurlijk wel opgenomen in het kenvermogen en speelt dan wel mee in de mogelijke verwijzing naar het buitentalige  (Strawson en Russell zouden zich overigens de haren uit het hoofd trekken bij dit onorthodoxe voorstel). 

We stellen hier dus, generaliserend, dat alle talige tekengeving binnentalig is en dat verwijzing naar iets erbuiten door het kenvermogen gebeurt; en dus niet binnen de talige semantiek valt! Een bevestiging daarvan biedt Gezelle, maar ook Peirce. Als Gezelle over de ziel spreekt, of beter: met die woordgroep naar iets verwijst, is dat niet naar iets buiten de taal. Dan zouden al onmiddellijk talloze lezers afhaken uit a-religiositeit. Voor die laatste categorie zou hij iets aanduiden wat er niet is. Nee, Gezelles woord ziel roept de betekenis op, die in het woordenboek staat  –  ziel betekent hier dus “ziel”: dat hebben we geleerd, dat weten we. Dat de dichter meent dat daar iets buitentaligs aan beantwoordt, zeg maar de psyche van Aristoteles, is een kwestie van geloof en is waar binnen Gezelles mentale wereld van de religie. Niet binnen de taal dus. Vandaar dat de niet-gelovige hem begrijpt, terwijl hij ontkent dat het teken enige werkelijkheidswaarde heeft.

Een klein zijpad nog, eerder een suggestie. De abstractie de ziel zoals hier gebruikt heeft de betekenis “alle zielen” of “iedere ziel”. Een dergelijke geestelijke sprong kan alleen de taal (natuurlijk of logisch) maken: zoiets kan immers alleen bedacht worden. Iets gelijkaardigs geldt voor de taal en voor spreken. Er is niets op tegen om daar een referentiële relatie bij te ontwikkelen, dus naar verschijnselen in de werkelijkheid, maar nogmaals, dat doet de taal niet, dat doet het kenvermogen. Lieden die weinig poëtisch gemotiveerd zijn, zullen die kennisrelatie verwerpen: ‘Een ziel die spreekt – wat een onzin!’. Zij kunnen die referentiële relatie overigens alleen maar verwerpen, omdat ze in eerste instantie de betekenis (“een sprekende ziel”) gevat hebben. 

Iets soortglijks geldt voor het universum van Peirce. De betekenis ervan  –  uiteraard voor wie die heeft opgeslagen in zijn Nederlandse of Engelse lexicon  –  is wat schrijver en lezer daarbij hebben aanvaard: de sociale conventie “universum” of “heelal”. En alweer, door kennis van zaken kan men een verband leggen tussen de betekenis van “heelal” en de Einsteiniaanse ruimte. Dat is geen talig  maar een encyclopedisch verband, al speelt daarin de taalkennis een niet onbelangrijke rol. 

Samenvattend stellen we in de eerste plaats dat er vormen van communicatie zijn, die meer zijn dan pure dragers van berichten: vorm en bericht vallen erin samen en het medium is dus het bericht. Voor zover er voor dit soort signalen van tekengeving gesproken kan worden, is er dus geen triadische relatie met een object buiten de taal waarnaar verwezen wordt. Dat laatste nu blijkt venmin het geval te zijn waar geopereerd wordt met zinnen. In éénwoordzinnen is dat al heel duidelijk: daar kan de verkorte vorm alleen gebruikt worden omdat het bericht  –  binnentalig!  –  al gedeeld wordt door de gesprekspartners. Echter ook bij het gebruik van volledige zinnen (Onderwerp-Gezegde) wordt het bericht door de ontvanger verstaan zoals de zender, blijkens de vorm (!), dat gevormd heeft. Ieder woord in de zin draagt een stukje betekenis, deelbetekenis,  over zoals ook de structuurprincipes dat doen. De zinsvorm Al wat leeft spreekt een taal draagt het bericht over: “al het levende heeft iets te vertellen”. Dat gebeurt binnen de dialoog, speelt zich dus af binnen de taal, is een zuiver talig betekenisproces. 

Het resultaat van dit soort taalhandelingen (de gedachte) wordt geïntegreerd in de kennis, het cognitieve vermogen  Dat cognitieve vermogen kan zo nodig refereren aan iets buiten de taal. Dat is echter geen taalhandeling meer, maar een verband dat gesticht wordt door de zintuigen en/of het geheugen. In het meerendeel van de gesprekken blijven de gesprekspartners binnen hun gedeelde mentale wereld, zoals die van de poëzie of van de astronomie.   In taal communiceren wij gedachten, taalgedachten, binnen een linguistisch gesloten circuit.

Bibliografie 

M.Argyle (1975). Bodily communication. London (London U.P.), p.45-46; vgl. ook F.G.Droste (1977). Over taal, gedrag en communicatie. Baarn (Ambo), p. 46.

N.Chomsky (1975). Reflections on language. New York (Pantheon ), p. 57.

F.G.Droste (2005). Over de oorsprong van de taal of hoe wij sprekend mens geworden zijn. Leuven (Leuven U.P.), p. 1-8.

F.G.Droste (2017). De betekenis van betekenis. Een literaire zoektocht. .Soesterberg (Aspekt), p.225 evv.

G.Frege (1892/1969). “Ueber Sinn und Bedeutung”. Funktion, Begriff, Bedeutung. Göttingen (Van den Hoeck & Ruprecht), p.44.

J.Lynch & L.Barrett (2002). Walking with cavemen. London (Headline), p.36.

Ch.W.Morris (1938). Foundations of the theory of signs. Chicago (Chicago U.P.), p. 3.

Ch.W.Ogden & I.A.Richards (1923/1946). The meaning of meaning. New York (Harcourt), p.11.

C.S.Peirce (1931-1958). Collected papers of Charles Sanders Peirce. Ch.Hartshorne, P.Weiss, A.Burks (eds.). Cambridge, Mass. (Harvard U.P.), § 5.448.

F.de Saussure (1915/1955). Cours de linguistique générale. 5e éd. Paris (Payot), p. 98.

P.F.Strawson (1974). Subject and predicate in logic and grammar. London (Methuen), p.41 evv.

P.F.Strawson (1950). “On referring”. Mind LIX, p.130 evv.