Gedicht: Janus Secundus • De dertiende kus

Janus Secundus schreef in het Latijn en is vertaald door (i.i.g.) Jan van Hout (begin 17e eeuw), J.H. Scheltema (begin 20e eeuw) en (een eeuw later) J.P. Guépin.

De dertiende kus

Kwijnend na zoete strijd lag ik ontzield, mijn leven,
mijn vingers om je hals en in je haar geweven,
mijn geest was uitgeblust op mijn verdorde mond,
geen nieuwe bries maakte mijn hart opnieuw gezond.
De Styx alree, het rijk nimmer door zon beschenen
en Charon’s vale bark was voor mijn oog verschenen:
tot jij met zoete zucht uit ’t binnenst van je borst
een kus geblazen hebt als regen voor mijn dorst;
die kus, door mij uit de vallei des doods te trekken
beval de grijsaard met een lege boot vertrekken.
Maar neen, de veerman roeit niet terug met lege kiel:
reeds vaart naar ’t schimmenrijk mijn jammerlijke ziel.
Een deel, mijn leven, van jouw leven huist in ’t mijne,
dat mijn vervallen lijf belette weg te kwijnen,
maar ’t wil vol ongeduld weer naar zijn meesteres
en zoekt eenzaam zijn weg terug in duisternis.
Tenzij het wordt gesterkt door jouw beminde lippen
zal ’t onherroepelijk mijn moede lijf ontglippen.
Welaan dan, kom, en hecht je mond vast op mijn mond,
zo voede ons één ademteug, één ziel in één verbond,
tot na de late eb van onvervulde lust
wordt in twee lichamen één leven uitgeblust!

Janus Secundus (1511-1536)
vertaling (1997): J.P. Guépin (1929-2006)

Het XIII. kvsken

Vand’ allerzoetste strijt was ick vermoeyt en laf;
Mijn armen om dijn hals (laes) waren heel besweeken:
T hart in mij was versmoort, den geest mij gansch begaf;
Mijn mont was vuijtgedroocht, het leven wech gestreken:
De Veerman met zijn schou, en Styx zijn mij gebleken:
Plutonis doncker Rijck mij stondt al voor den ogen:
Metdooghen ghij doen kreecht; mijn ziel ginght ghij opqueecken
Met een vet kusken (lief) vuyt tdiepst des longhs getogen:
Oorzaick, dat mijne geest weer tot mij quam gevlogen;
Diez Charon onbevracht most weer terugg’ vertrecken.
Neen; leech en voer hij niet; hola, ick heb gelogen:
Mijn ziel bleef voor de vracht, zy’es in de swarte plecken,
Een deel van uwen geest ghingh sich in mijn lijf strecken:
Deez’ haut de leden tzaem, die anders zouden swijcken,
Dus leeft dijn ziel in mij; ten is voerwaer geen gecken:
Doch listen doet zij veel, om weder wech te strijcken,
Ten wair zaick oick dat ghij nu deez gestadelijcken
In mijn lijf onderhieldt deur uwe kuskens zoet
Zou deez in korten stondt vuijt mijn lijf weder wijcken.
Daerom dijn lipkens vocht vast op de mijne doet:
En maickt, dat een ziel steets ons beijder lijven voet:
Tot dat de Parca straf, nair een langdurich beijden,
Wt onz licchamen twee sal eenen Geest doen scheijden.

Jan van Hout (1542-1609)

Dertiende Kusje
Ik rustte versmacht van den lieflijken strijd, o mijn leven,
En sloeg vermoeid om uw poezligen hals mijn’ ving’ren .
De woorden van geestdrift verdroogden verstomd op mijn’ lippen,
Geen frisschen gloed kon mijn hart weer opnieuw ontvlammen.
Ik zag reeds den Styx, de van zonlicht ontbloote gewesten,
De vale boot van den stokouden veerman Charon,
Toen gij uit het diepst van uw harte een kusje me schenkend
Een zoete dauw hebt doen druppen op mijne lippen;
Een kusje, dat mij heeft ontrukt aan den Stygischen oever
En Charon noopte met ledige boot to keeren.
Ik dwaal : want zij n schuit is nog nimmer weer ledig vertrokken,
Mijn geest is reeds opweg naar ’t somber rijk der schimmen .
Een deel uwer ziel, o mijn leven, bewoont nu dit lichaam
En houdt vereenigd de wag’lende ledematen
Het tracht evenwel langs verborgene wegen veelmalen
Terug to keeren verlangend naar vroeg’re woning,
En ’t zou aan mijn ram’lend gebeente al sinds lang zijn ontvloden,
Als niet uw lieflijke adem dit had gekoesterd.
Ei, houd dus niet op uwen mond op mijn’ lippen to drukken,
Eenzelfde geest zal ons beiden dan staag verkwikken
Tot, zwellegens moede van onze onverzaadlijke liefde,
Ons tweelinglichaam slechts een leven zal ontvlieten.

Vertaling (1902): J.H. Scheltema (1829-1909)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Dit bericht is geplaatst in gedicht met de tags , . Bookmark de permalink.

1 Response to Gedicht: Janus Secundus • De dertiende kus

  1. De grouweljike wending
    Zit in de laatste zin.

Laat een reactie achter