Is de literatuur te mooi voor theorievorming?

Door Marc van Oostendorp

Wat wil Rosa van Gool? Gisteren publiceerde deze ‘classicus en journalist’ een stukje in de Volkskrant waarvan de titel een duidelijk antwoord op die vraag lijkt te suggereren: ‘Red de studie Nederlands voor de literatuurliefhebber‘. Het stuk werd op Twitter bejubeld door bijvoorbeeld de schrijver Pieter Waterdrinker (‘Zolang mensen als Rosa van Gool dit soort geweldige stukken schrijven is er voor de letteren nog hoop…’). Maar nergens wordt duidelijk hoe Van Gool haar doel wil bereiken.

Ja, ze wil dat ‘nauwkeurig lezen’ van mooie boeken het hoofddoel wordt van de studie, en dat enge dingen zoals ‘hoogdravende literatuurtheorie’ en het gebruik van computers naar de achtergrond verdwijnen. Haar kennis over die theorie en die computers lijkt allemaal echter uit de tweede hand te komen: ze geeft slechts weer wat Kees ’t Hart erover zegt. Dat artikel gaat alleen over onderzoek. Over het onderwijs zegt ’t Hart niets, dus in weerwil van de titel komt dat bij Van Gool ook niet aan de orde – hoewel ze een mening heeft over ‘de studie Nederlands’ blijkt nergens uit dat ze ooit heeft opgezocht wat die studie inhoudt, welke vakken je krijgt, enzovoort.

Beroep

Ondertussen wil ze dus aandacht voor de noden van de literatuurliefhebber die vooral gedreven wordt door een wens tot ‘nauwkeurig lezen’. Hoe je je een studie moet voorstellen volgens die lijnen is onduidelijk: iedere dag lezen de studenten een roman of een dichtbundel en daarna komen ze bij elkaar om tegen elkaar te zeggen hoe ontstellend mooi de literatuur toch eigenlijk is? Het is een beetje alsof je wil dat de biologiestudie meer aandacht heeft voor het aaien van poezen. Biologiestudenten zullen bovengemiddeld vaak en bovengemiddeld veel van dieren houden, maar dat maakt hen nog niet tot biologen.

(Ze maakt het overigens nog gekker door eerst te zeggen dat alle theorie de literatuurliefhebbers afschrikt om vervolgens te stellen dat ze ervan uitgaat dat literatuurwetenschappers waarschijnlijk zoveel van literatuur houden dat ze er hun beroep van hebben willen maken. Ja, zolang schrijvers zich niets van de Wet van de Uitgesloten Derde aantrekken, is er nog hoop voor de letteren.)

Turven

Iedereen kan gelukkig altijd en overal net zo veel mooie boeken lezen als hij wil. Een opleiding tot literatuurwetenschapper doe je omdat je méér wilt weten. Sinds Karel van het Reven doen critici vaak alsof dit niet mogelijk is omdat literatuurwetenschap geen antwoord heeft op de vraag wat nu precies het onderscheidende kenmerk is van literatuur (waarom Anna Karenina wel literatuur is en de tweets van Leon de Winter niet), maar dat is dan ook zo’n beetje de lastigste vraag die er is, voor iedere discipline. De biologie gaat ook nauwelijks over de vraag wat leven nu precies is, en in ieder geval in de taalwetenschap fungeren allerlei tegenstrijdige definities van taal (is het bijvoorbeeld iets in je hoofd of tussen mensen).

Van Gool spreekt met name smalend over onderzoek dat vooral zou hebben bestaan uit het ‘turven van beroepen’, al heeft ze dat onderzoek dus niet gelezen. Volgens haar doet dit “aan niets wat literatuur interessant maakt recht”.

Te veel prostituées en/of ondernemers

Nu weet ik niet of er ergens een officiële lijst bestaat van zaken ‘die literatuur interessant maken’. Ik vind het juist aardig aan literatuur dat je haar op oneindig veel manieren kunt beschouwen en dat iedere lezer zelf mag bepalen wat interessant is. Iemand die er aardigheid in heeft om in De avonden op zoek te gaan naar de passages over kaalhoofdigheid, wie zal hem dat recht ontzeggen? In het onderhavige geval – waarin beroepen werden ‘geturfd’ – is de uitkomst ook nog eens daadwerkelijk wetenschappelijk interessant. Want wat blijkt? In Nederlandse romans uit 2013 (in ons verlichte land, in dat verlichte jaar) is het meest voorkomende beroep van vrouwelijke personages prostituée, en dat van mannelijke personages ondernemer.

Dat is een feit, en mij lijkt het een feit waar je interessante bespiegelingen aan kunt vastknopen: hoe komt het dat de fantasie die allerlei beroepen toekent uiteindelijk gemiddeld deze zaken voortovert in zo’n door en door van de grachtengordel en politieke correctheid doortrokken genre als de literaire roman? Nee, dat is geen manier om te genieten van ieder van die romans, maar wel een manier om te kijken naar de Nederlandse romankunst als geheel. Je zou het bijvoorbeeld ook bijzonder bevrijdend kunnen vinden dat de personages in Nederlandse romans tenminste niet op kantoor te zitten wachten op hun pensioen. Het is hoe dan ook geen gevaar voor iemands vrijheid. Ik heb bijvoorbeeld nog nooit gehoord dat een neerlandicus heeft gepleit voor een commissie die gaat controleren of er niet te veel prostituées en/of ondernemers in Nederlandse romans voorkomen.

Diepe gedachten

Het gaat er daarbij trouwens in dit geval ook inderdaad niet om dat de beroepen die worden uitgeoefend in een roman het literaire gehalte van die roman uitmaken, maar om iets anders: dat die romans gewild of ongewild ook iets weerspiegelen van de dromen en obsessies van een samenleving.

Ik weet natuurlijk ook wel dat dit alleen maar een stukje in De Volkskrant is, een krant met een lange, lange traditie van feitenvrije aanvallen op de taal- en de letterkunde, en met name ook van zomerse stukjes waarin iemand Karel van het Reve samenvat alsof er sindsdien nooit iets is gebeurd. Ik vermoed dat het er in dat genre vooral om te doen is dat je laat zien dat je zelf zoveel van het Mysterie van de Literatuur houdt dat je niet kunt verdragen dat iemand anders een en ander rationeel bekijkt. En dat het gebrek aan logica en de vaagheid van Gool erbij horen omdat die nu eenmaal als een kenmerk worden beschouwd van het literaire.

Sorry voor de hoogdravende theorievorming in de laatste twee zinnen.

Ja, literatuur is vreselijk, vreselijk mooi. O, wat genieten we toch iedere dag weer van de meeslepende stijl van J.A. dèr Mouw, en de wijze gedachten van Louis Couperus. Maar mogen we het af en toe ook iets over iets anders hebben?

Zolang mensen als Rosa van Gool nog dit soort stukken kunnen publiceren, valt er heel wat zendingswerk te verrichten.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in column met de tags . Bookmark de permalink.

21 Responses to Is de literatuur te mooi voor theorievorming?

  1. Joke van Overbruggen schreef:

    Rosa van Gool
    Zij is niet mijn idool
    Van het Reve
    Dat is pas leven

  2. Jona Lendering schreef:

    Ik denk dat het probleem dieper zit dan alleen een onhandig stukje van een jonge columniste.

    De letterenfaculteiten zijn altijd een samenraapsel geweest van uiteenlopende belangstellingen, methodes, inzichten en theorieën. Daar is niets mis mee en het verrijkt elkaar. In de jaren tachtig zijn de studies echter bekort tot vier jaar. In de oudheidkundige sector, waar klassieke talen (het vak van Van Gool) bij horen, is gekozen voor het handhaven van het kerncurriculum en is sindsdien onvoldoende gelegenheid voor de kennismaking met andere letterenvakken. Dat de roep om interdisciplinariteit almaar blijft klinken, bewijst in welke mate dit een wassen neus is.

    Anders gezegd: letterenstudenten krijgen de kans niet om voldoende algemene ontwikkeling op te bouwen en kennis op te doen van andere letterenvakken. Je kunt het Van Gool kwalijk nemen dat ze zich onvoldoende heeft verdiept in de neerlandistiek; een verzachtende omstandigheid is dat ze er een studie lang onvoldoende op is gewezen dat ze op de dag van haar afstuderen te weinig zou weten.

  3. martijnbenders schreef:

    Doet me denken aan de recensie die ‘Nachtefteling’ op Tzum van Jane Leusink kreeg. Zij schreef daarin:

    ‘Je moet voor Nachtefteling even gaan zitten, maar dan heb je ook wat. En zelfs als je geen zin hebt in close reading (de poëziekritiek zoals die in de jaren zeventig van de vorige eeuw aan de Nederlandse universiteiten werd bedreven) en je meer geneigd bent associatief of impressionistisch te snellezen blijft het drama, met de titel als kroon op het werk, vol aanwezig.’

    Dat vond ik een heel merkwaardig stuk. Wat bedoelen mensen dus eigenlijk met dat ‘close reading’? Voor haar is het schijnbaar iets wat in de jaren 70 op de universiteit gebeurde (en tegenwoordig dus niet meer) – wat ze echt lijkt willen zeggen is dat vluchtig lezen de nieuwe norm is, en dat schijnbaar mijn bundel ook als je die vluchtig leest nog een snaar weet raken.

    Je hebt denk ik gelijk dat die niet-aflatende kritiek op de universiteit vanuit de media, die constante suggestie dat jullie dingen fout doen – terwijl de echte oorzaak achter die teruglopende studentenaantallen heel makkelijk te verklaren is door de bizarre nadruk op bèta studies vanuit de overheid – hoe bizar is dat precies, dat je zo’n ontwikkeling steeds in de schoenen schuift van de mensen die er nog wat van pogen maken, het lijkt er verdacht veel op dat dat overheidsbeleid en die media hand in hand lopen, een vorm van close-reading die mij wat te intiem aandoet.

  4. Lucas schreef:

    Ik heb mijn studie Nederlands nooit afgemaakt; was een tweede bachelor en het geld was op. Maar wat ik nu juist interessant vond aan bijvoorbeeld de historischeliteratuurvakken was de kadering van de literatuur in context; wat het zei over de samenleving; hoe je het kon begrijpen binnen het leven van de schrijver; etc. Je leert juist veel meer dan alleen de tekst van het boek.

    Natuurlijk, mooi meegenomen als het ook mooie literatuur is (ik had bijvoorbeeld niks met Hadewijchs Visioenen of Sara Burgerhart—sorry Neerlandici), maar dat is meer een individuele reflectie. Net zoals je in een boekclub hebt. Maar wie leest ter vermaak en bewondering is niet bezig met literatuur bestuderen; daar heb je geen academische opleiding voor.

    • Joke van Overbruggen schreef:

      Dat is een interessant punt: waarom lees je literatuur?
      Heb nooit een talenstudie afgemaakt, maar de beweegredenen om te lezen
      zijn in de loop van mijn leven wel veranderd

    • Peter-Arno Coppen schreef:

      Mee eens, maar je zegt wel tussen neus en lippen “Sorry neerlandici”, waarmee je het imago onderstreept dat neerlandici allemaal voornamelijk houden van literatuur (en ook nog eens van alle literatuur). Bij welke andere wetenschap wordt die liefde voor het object van onderzoek zo breed uitgemeten? Moeten biologen houden van gefokte witte muizen om ze te onderzoeken? Moeten astronomen houden van sterren? Hebben geologen mooie stenen op hun nachtkastje liggen? Ik geloof dat die verplichte liefde vooral iets is van de alfavakken.

      Mijn punt is dat wetenschappers een fascinatie voor hun object van studie moeten hebben, niet zozeer liefde. Door die liefde zo te benadrukken of te bevestigen versterk je de indruk dat de neerlandistiek een liefhebberij is in plaats van een wetenschap.

  5. martijnbenders schreef:

    1. Je maakt als overheid mensen wijs dat alleen bèta studies de moeite waard zijn
    2. Dat heeft tot gevolg dat minder mensen de studie Nederlands kiezen
    3. De media verwijt die terugloop aan de studie zelf, die schijnbaar alles fout doen.
    4. Je klaagt steen en been over het tekort aan leraren Nederlands.

    Echt. Get a fucking grip.

  6. Melchior Vesters schreef:

    Ik ben het met Jona Lendering eens dat letterenstudenten door de ingekorte studieduur te weinig kennis nemen van andere letterenvakken (en wegens dit gebrek aan expertise niet zouden moeten schrijven over hoe het er bij andere vakken aan toegaat!). Toch raakt dit niet de kern van het probleem. Het probleem is dat Rosa van Gool er een buitengewoon domme en politiek naïeve mening over geesteswetenschappen op na houdt, daardoor niet begrijpt hoe Yra van Dijk en andere wetenschappers de studie Nederlands relevant willen maken/houden, en hierdoor met haar pleidooi precies het verkeerde beeld van de buitenwereld over ons vak bestendigt.

    Mijn forse verwijt aan het adres van Van Gool zal ik onderbouwen. Enkele jaren geleden schreef zij een stukje over het ‘nut’ van geesteswetenschappen: http://defusie.net/hebben-de-geesteswetenschappen-nut/. Hierin maakt zij een knieval voor de bètawetenschap: die heeft nut, en de geesteswetenschappen volgens haar niet. De enige rechtvaardiging zit voor Van Gool erin dat geesteswetenschappen ‘wel heel mooi’ kunnen zijn. Alsof een dergelijke spielerei-status (want ‘wetenschap’ kan je het niet meer noemen!) hun maatschappelijk bestaan zou moeten/kunnen rechtvaardigen! Nee, Van Gool (een classica, die door haar bestuderen van dode talen een stuk verder afstaat van de moderne samenleving – met al zijn machtsconflicten – dan een neerlandicus of literatuurwetenschapper) heeft klaarblijkelijk geen flauw benul van het maatschappelijke belang van het analyseren van de ideologische achtergrond van cultuurverschijnselen.

    Van Gool denkt nog steeds hetzelfde over geesteswetenschappen als een paar jaar geleden, getuige haar column: ‘Wie boeken leest uit interesse voor de onderlinge hiërarchische verhoudingen en de beroepen van personages, houdt niet van literatuur.’ Voor Van Gool moet literatuur blijkbaar ‘mooi’ zijn en als zodanig worden genoten, in plaats van dat er inhoudelijk mag worden gezocht (vanuit sociologische invalshoek) naar maatschappelijke relevantie. Het gevaarlijke van Van Gools framing – liefhebbers niet-liefhebbende theoretici – is dat zij, in Van Dijks woorden, net als Sylvia Witteman ‘meer kapot maakt dan honderden welwillende schooldecanen en voorlichtingscampagnes kunnen herstellen’. Resultaat: nog minder studenten. Bedankt, Rosa.

    De kern van het probleem is dus dat Van Gool bij haar studie veel te weinig ideologisch bewustzijn heeft opgedaan. Hiermee bedoel ik niet dat je in een bepaald politiek kamp terechtkomt, maar wel dat je je realiseert dat literatuur als uiting van ideologie kan worden beschouwd. Misschien had Van Gools deficiëntie kunnen worden voorkomen met een langere studieduur, waardoor zij wat van algemene literatuurwetenschap had kunnen meepakken, waar wel aan (sociologische) theorie wordt gedaan. Als Jona Lendering dit bedoelt, neem ik mijn hoed voor hem af.

  7. martijnbenders schreef:

    ‘Het gevaarlijke van Van Gools framing – liefhebbers niet-liefhebbende theoretici – is dat zij, in Van Dijks woorden, net als Sylvia Witteman ‘meer kapot maakt dan honderden welwillende schooldecanen en voorlichtingscampagnes kunnen herstellen’. Resultaat: nog minder studenten. Bedankt, Rosa.’

    Precies. Maar ik denk niet dat de kern van het probleem een ‘gebrek aan ideologisch bewustzijn’ is, bezien dat ze naadloos de heersende ideologie weet volgen (dus dat ‘bewustzijn’ heeft ze wel), die volstrekt ten onrechte stelt dat een of andere snuisterij uitvinden voor in de keuken ‘nuttig’ is maar het levend houden en duiden van literatuur niet. Laten we eens de wedervraag stellen: waarom is zoiets als ‘Google Home’ nuttig? Het maakt mensen lui, het zorgt ervoor dat iedereen je kan afluisteren, en schept een slaafachtig menstype die tot niets meer in staat is. Is dat nuttiger dan een boek? Voor wie dan?

    • Melchior Vesters schreef:

      Beste Martijn, ik weet niet zeker of ik je nu begrijp. Wat is volgens jou de heersende ideologie, welke volgt Rosa? Zelf lees ik haar kritiek op bepaalde sociologische theorieën als modieus, het past in een ideologisch conservatief geluid dat je vaker hoort (bijv. Valkenberg, https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-op-zondag-sebastien-valkenberg-onleesbaarheid-troef-in-literatuurwetenschap~b7e796cd/, of de nogal ongure stukjes van Hendriks en Lukkassen in NRC). Maar ik plaats Rosa niet in de hoek van politiek gemotiveerde schrijvers zoals de bovengenoemden (het lijkt me dat jij dat wel doet, klopt dat?). Ik denk daadwerkelijk, op basis van haar opiniestuk over het ‘nut’ van geesteswetenschap van enkele jaren geleden, dat ze gewoon naïef is inzake de werking van discoursen. Meegaan in het smalle nutsdiscours en het bewieroken van bèta hoeft nog niet te betekenen dat je dit vanuit ideologisch bewustzijn doet: het kan immers zijn dat je het doet omdat je niet doorhebt dat dergelijke discoursen ideologische uitingen zijn.

      Ik denk dat Rosa soortgelijk is beïnvloed door retoriek van bijv. Kees ’t Hart, Piet Gerbrandy (in DNBG) en Ilja Pfeijffer over het vermeende euvel in de neerlandistiek en/of literatuurwetenschap: sociologische theorie. Ik denk dus dat ze niet voldoende op de hoogte is – net als de schrijvers die ik net noem – van de reden waarom er tegenwoordig dergelijke theorie wordt aangeleerd. Het gaat er bijv. totaal niet om overal ras of gender aan te wijzen; sociale verhoudingen op deze twee punten (en hun voorkomen in culturele uitingen, zoals literatuur) zijn slechts voorbeelden van de werking van achterliggende discoursen, ideologie. Het gaat dus niet om politiek activisme inzake bepaalde hiërarchische relaties, maar om het leren begrijpen van de werking van macht in het algemeen. Dit is wat ik bedoelde te zeggen met het je bewust zijn van ideologie. Het lijkt me stug dat Rosa bij klassieke talen op een dermate theoretisch niveau heeft leren nadenken, want uit eigen ervaring weet ik hoe weinig filosofische bronteksten (bijv. Foucault) er werkelijk worden gelezen bij een talenstudie.

      • martijnbenders schreef:

        Hoi Melchior,

        Goed betoog. Persoonlijk geloof ik niet zo in de ‘naïviteit’ van mensen die stukken in de media schrijven. Niet omdat zulke naïviteit niet mogelijk is, nee, eerder omdat deze bijna standaard is en je zo goed als iedereen naïef kunt noemen op een of andere wijze – ik heb Foucault wel gelezen, maar lang niet alles van hem, taaie kost vaak trouwens maar wel een heel grondig en belangrijk denker. Maar dat idee dat juist mensen die de heersende ideologie blind volgen dat doen omdat ze naïef zijn vind ik op zijn beurt dan weer naïef – immers, er zijn redenen te over die iemand kan hebben om de heersende ideologie bij te staan, en naïef zijn die niet, eerder cynisch. Zoals het ook cynisch is dat jullie vakgebied steeds op een vervelende manier wordt ‘geframed’ door het op populistische wijze te verwarren met sociaal activisme.

  8. Elizabeth schreef:

    Hier is in ieder geval vast één jongere (nu 21) die geen Nederlands is gaan studeren vanwege de problemen die Van het Reve en Van Gool aangeven. Natuurlijk kende ik toen die artikelen nog niet, maar de meeloopdag op de universiteit gaf mij dezelfde indruk.

    Juist Van het Reve is inspirerend; je voelt zijn liefde voor de literatuur. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor de inleiding van Willem Kloos op Jacques Perks gedichten, voor sommige biografieën, zolang ze zich niet teveel met ‘de op dat moment modieuze en dominante theorie’ bezighouden.

    En als u dan concludeert dat ik niet geschikt ben voor de studie Nederlands, heeft u ongetwijfeld gelijk. Maar dan kunt u niet meer klagen dat er te weinig studenten zijn, omdat slechts een kleine minderheid van de snel krimpende groep literatuurliefhebbers geïnteresseerd is in de huidige Neerlandistiek.

    • Melchior Vesters schreef:

      Beste Elisabeth, als jij houdt van Nederlandse literatuur/taal/cultuur, ben je wel degelijk geschikt voor de studie Nederlands. Maar dit betekent niet dat Van het Reve/Van Gool gelijk hebben inzake de ‘problemen’ van het hanteren van sociologische theorieën bij voornamelijk de subdiscipline moderne letterkunde (bij historische letterkunde is dit veel minder het geval).

      Het is prima dat je leest omdat je daarvan houdt, maar realiseer je dat dit iets zegt over de emotionele uitwerking van literatuur op jou. Evenzo heeft literatuur een uitwerking op veel mensen: emotioneel, maar ook rationeel (het roept bepaalde gedachten op en/of bevestigt bepaalde gedachten). Dit is júist de reden waarom het van waarde is om sociologische theorie in te zetten: de uitwerking die literatuur heeft, de lectuur waartoe een tekst uitnodigt, hoeft niet neutraal te zijn (een effect bij de lezer kan zijn beoogd, hiervan moet jij als lezer je kritisch bewust zijn). Voorbeeld: het voorwoord van Kloos bij de gedichten van Perk is bij uitstek een uiting van self-fashioning. Kloos bouwt ermee aan zijn eigen imago.

      Als docent vind ik dat het voortgezet onderwijs leerlingen veel te weinig schoolt in het kritisch leren nadenken over wat ze lezen (zoals: hoe literatuur zich verhoudt tot maatschappelijke kwesties, welke ideeën liggen op de achtergrond, uiteraard geplaatst in hun historische context). Doordat leerlingen denken dat hun eigen beleving maatgevend is, is het verschil met de universiteit, waar literatuur als cultuurproduct niet meer subjectief maar wetenschappelijk wordt benaderd, voor sommigen bevreemdend groot. Maar dit is eerder een reden om diepgaander literatuuronderwijs op het VO te geven dan om minder theorie in de universitaire studie te stoppen, toch?

  9. Elizabeth schreef:

    Dank voor uw reactie.

    Niet mijn ervaringen zijn belangrijk, ik ben nog jong en weet er niet zoveel van, en zeker niet alles hoeft leuk te zijn. Diepgaander literatuuronderwijs is natuurlijk altijd een goed idee. Maar naar mijn mening zou dat niet vooral gericht moeten zijn op bv. het leren van rijmschema’s. Het zou veel interessanter zijn om een boek te lezen en daaruit de wereldvisie van de schrijver af te leiden. Wat zegt Couperus’ Langs lijnen van geleidelijkheid over het feminisme, om maar wat te noemen. En dat gebeurt niet, althans niet voor zover ik weet.

    Want de ervaringen van Couperus zijn wél belangrijk. En waarom zou een literatuurwetenschapper niet zijn persoonlijke ervaringen gebruiken? Een biograaf die alleen maar een opsomming van feiten geeft, schrijft geen geslaagde biografie. Een technische perfecte roman zonder geest erachter kan de lezer niet bekoren. Literatuur gaat bij uitstek om subjectieve ervaringen.

    En deze satirische tekst van Ilja Leonard Pfeijffer: ‘Wie tegenwoordig Nederlands gaat studeren, moet niet denken dat hij mooie colleges krijgt over Couperus en Lucebert. Hij mag die romans en gedichten niet eens meer lezen. In plaats daarvan moet hij zich verdiepen in de theorie van de sociologische reflexiviteit van Pierre Bourdieu. Hij mag zich niet laten ontroeren door een dichtregel, maar moet cynisch grommen dat de dichter met die regel zijn cultureel, symbolisch en linguïstisch kapitaal vergroot om vervolgens verbeten strijd te gaan leveren over de definities van die begrippen.’

    lokt deze gortdroge reactie uit, waaruit blijkt dat Yra van Dijk de humor niet heeft begrepen: ‘In dezelfde week dat Ilja Leonard Pfeijffer zijn pen in Genuees vitriool doopte om in de NRC te schrijven dat neerlandici geen Lucebert en Couperus meer onderwijzen, zaten wij met studenten gedichten van Lucebert te bespreken. Voor ons was het tegelijkertijd lachwekkend en demoraliserend om zijn stuk te lezen, voor studenten choquerend; ook kwaliteitskranten publiceren, zagen zij, probleemloos aantoonbare nonsens.’

    Het zou van tomeloze arrogantie getuigen om te menen dat ik een antwoord heb op de vraag of Van het Reve, Pfeijffer en andere critici gelijk hebben. Ik kan niet meer zeggen dan dat ik in de teneur van de artikelen die nu gepubliceerd worden, mijn ervaringen van een paar jaar geleden herken. En gelukkig kan ik ook zonder studie Nederlands de artikelen lezen over de vraag wat Couperus’ Langs lijnen van geleidelijkheid over het feminisme zegt.

    • martijnbenders schreef:

      Iedereen die literatuur gaat studeren doet dat waarschijnlijk omdat hij graag mooie boeken leest. Toch is ‘lees couperus en lucebert’ als advies minder voor de hand liggend als je misschien denkt. Buiten het feit om dat beide al aardig worden gelezen ook in universitaire context is de prangende vraag: waarom deze twee? Waarom niet bijvoorbeeld Karel van de Woestijne? En dat is nog maar het begin van de ellende, want zeg nou zelf, waarom zou ik literatuur willen studeren en dan nooit Gombrovicz kunnen analyseren of Platonov? Waarom die vreselijke focus op Nederlandse literatuur? Wie heeft daar belang bij? Kijk, zo kom je al snel op sociologische vragen. In de oudere tijden waren de studies Engels, Frans, Duits, Nederlands. En die zuilen werden dan toebedeeld met de eigen literatuurtak. Maar als ik film studeer wens ik toch echt niet alleen Nederlandse speelfilms te krijgen voorgeschoteld. Ziedaar dus een veel groter probleem, en ziedaar waarom sociologie wel degelijk van pas komt.

      • martijnbenders schreef:

        Als = dan; dit is zo’n ouderwetse omgeving zonder mogelijkheid teksten te herzien (en dat krijg je dan als schrijver van bepaalde academici van bedenkelijk niveau op het bord…)

  10. Kees Noorda schreef:

    Bij het lezen van bovenstaande moest ik steeds denken aan de titel die Karel van het Reve zette boven zijn stuk waarin hij inging op de reacties van literatuurwetenschappers op zijn Huizingalezing: ‘Wat waren ze kwaad’ (te vinden in zijn bundel Een dag uit het leven van een reuzenkoeskoes).

  11. Melchior Vesters schreef:

    Elisabeth,

    tutoyeren mag! Inhoudelijk: ik weet niet wie er heeft gepleit voor rijmschema’s, maar ik in ieder geval niet (en evenmin degenen die vanuit sociologische theorie literatuur benaderen). Ik ben het juist volkomen met je eens dat het heel interessant is om het wereld- of vrouwbeeld dat uit een roman oprijst te bestuderen, en dit is ook precies wat er gebeurt bij de huidige studie Nederlands die een beetje sociologische theorie inzet. In hoeverre een tekst daadwerkelijk als het wereldbeeld van de schrijver mag worden gelezen is trouwens een punt van debat – het verschilt per auteur, alweer afhankelijk van diens geconstrueerde imago: bijv. Grunberg is een veel lastiger geval dan Du Perron. Maar dit terzijde.

    We verschillen van mening over de tekst van Pfeijffer: jij las hem satirisch, maar Van Dijk neemt hem terecht serieus op – niet omdat zij geen gevoel heeft voor stilistische overdrijving, maar omdat mensen die dat niet hebben een verkeerd beeld van de studie Nederlands krijgen. Overigens was de tekst van Pfeijffer mijns inziens (ik schreef er al een artikel over voor de Mare) inhoudelijk wel degelijk beschadigend bedoeld. Hij schreef hem namelijk nadat zijn vriend Onno Blom met enig gerucht was gepromoveerd (op een biografie, iets wat tegenwoordig in de neerlandistiek ongebruikelijk is, omdat het wetenschappelijk gehalte ervan – werken vanuit een theorie, van daaruit analyseren – twijfelachtig is). Blom voelde zich hierdoor persoonlijk beschadigd en daarom klom Pfeijffer in de pen om iets terug te doen. Zijn doelwit? De letterkundigen die meer vanuit theorie werken. Hij zette hen doelbewust als minder wetenschappelijk neer om het imago van Blom als wetenschapper te redden. Kind van de rekening? Het publieke imago van de moderne letterkunde, en daarmee van de hele neerlandistiek. Dit is wat Van Dijk aan de kaak stelt.

    Back on topic: het is begrijpelijk dat emotioneel geladen teksten als van Pfeijffer en Van Gool emotionele weerklank vinden bij mensen met eigen teleurstelling. Maar inhoudelijk heeft Van Gool simpelweg onzin geproduceerd met haar tegenstelling mooi/literatuurliefde theorie-inzet. Nederlands zal altijd de studie blijven voor mensen die van lezen houden, maar dat wil niet zeggen dat we, zoals Van Gool voorstaat, literatuur dienen te lezen omdat het ‘mooi’ is of als zodanig benaderd moet worden. Ik vermoed dat je het hiermee eens kunt zijn en denk nog steeds dat de studie Nederlands ook voor jou is.

  12. Harry Reintjes schreef:

    The proof of the pudding is in the eating. Een vergelijking:

    Vond ik hoog- en laagveen leuk? Nee! Maar toen de aardrijkskundeleraar ons meenam naar de hautes fagnes en voor een wandeling langs de Ninglinspo, was mijn enthousiasme niet meer te stuiten.

    Vond ik geschiedenis en literatuur leuk? Nee. Maar toen onze docenten geschiedenis en Nederlands ons hadden meegenomen naar Slot Loevesteijn en het Muiderslot ging Hugo de Groot er, samen met mijn fantasie, vandoor en zag ik Hooft bakkeleien met Tesseltje.

    Vond ik het werk van Van Gogh mooi? Best wel. Interessant? Best wel. Maar na een wandelpauze bij de Collse watermolen, het ronddwalen door Arles, het neerstrijken op het Caféterras bij nacht, de wandelingen bij Saint Marie, had ik in zijn schilderijen gestaan, gelopen, gewandeld. Wonderschoon is zijn werk geworden. Daar konden musea (Amsterdam, Kröller-Múller, Musee D’Orsay, Jeu de Paume) met de galm van de begeleidende koptelefoon of suppoost of gids of op televisie verhalende conservator of, overigens prachtige, boekwerken weinig meer aan toevoegen.

    Iets dergelijks moet ook kunnen voor taal en literatuur.

Laat een reactie achter