Hoe schrijft die zich ook al weer?

Door Henk Wolf

Mensen krijgen bijnamen. Van vrienden en familie, van collega’s en buren. Bekende mensen krijgen bijnamen van het grote publiek. Sommige mensen zijn op de hoogte van hun bijnaam, bij anderen wordt ie achter de rug om gebruikt. En sommige mensen hebben in hun woonplaats een bijnaam die bijna iedereen in het dagelijks leven gebruikt.

Vraag ik onze hogeschoolstudenten wie het gebruik van bijnamen op dorpen uit eigen ervaring kent, dan gaan er altijd handen omhoog. En dat zijn vrijwel altijd de handen van Friezen, doorgaans niet uit de grotere plaatsen, maar wel van de dorpen. Heel betrouwbaar onderzoek heb ik er niet naar gedaan en ik kan het best mis hebben, maar de indruk die ik zo langzamerhand krijg is dat die dorpsbijnamen in Friesland nog in levend gebruik zijn, terwijl mensen uit Groningen, Drente en Noord-Holland ze ‘iets van vroeger’ noemen. En waar de Friezen ze normaal of grappig of stoer vinden, reageren andere mensen vaak enigszins afwijzend met: “Maar dat is toch niet erg aardig.”

Hoe klinken ze dan? Ik heb eens rondgevraagd en ik kreeg een heleboel bijnamen aangereikt. Bijnamen zijn vaak sprekend. Familie van me woonde vroeger tegenover grouwe Evert (‘dikke Evert’) en die was niet mager, zoals Jan kop geen knappe kerel was. Dan was mijn grootvader als lytse Ytsen (‘kleine Ytsen’) nog goed af. Van anderen hoor ik meer uiterlijke bijnamen, zoals swarte Meindert en swarte Aldert voor mannen met zwart haar, Jochum drip (‘Jochum druppel’) voor een man met een chronische loopneus, lange Gerrit voor een grote kerel en reade Romke, die ongetwijfeld rood haar heeft.

Ik kreeg ook prachtige verhalen bij sommige bijnamen meegeleverd. Het verhaal achter Klaas snoek is te mooi om niet even te noemen. Dat is of was de bijnaam van een niet zo zindelijke man. Ik citeer in Nederlandse vertaling: “Die zei altijd dat je beter niet te schoon op jezelf kon zijn, want dan was het slecht snoeken vangen. Die houden niet van zeep, dus zodoende.” Een man die altijd alle nieuwtjes wist, was Jaap antenne, een eeuwige dronkelap Klaas kachel en een bemoeial De burgemeester. Een vrouw die altijd aan het schoonmaken was, was skjinne Geart (‘schone Geart’).

Wat eenvoudiger kan ook: de vogelkenner is Jan roek en de handelaar in tweedehandse spulletjes is Wiebe antiek. De handelaar in bloembollen is Jan bol en de jongen van de boerderij Sibe de boer. Johannes túnman was tuinman en werd van zijn naamgenoot Johannes molkrider (‘Johannes melkboer’) door z’n bijnaam onderscheiden. Namen gaan ook over op volgende generaties: Abe koekje is de kleinzoon van de koekverkoper en De Jong heette heel anders, maar had een winkel in een pand dat lang geleden van een De Jong was geweest.

De vertellers van wie Ype Poortinga in de tweede helft van de vorige eeuw zoveel volksverhalen heeft opgetekend, noemen hun dorpsgenoten ook vaak bij een bijnaam. Die kennen ze vaak beter dan iemands officiële naam. Eén verhaal begint bijvoorbeeld zo: “Hjir wenne in man, dat wie Sibe Liger, hy hiet fan Henstra.” (‘Hier woonde een man, dat was Sibe Lieger, hij heette Henstra’). De bijnaam komt eerst, dan de officiële naam. Beluister ik opnamen van gesprekken uit de jaren zestig uit de Dialectenbank van het Meertens Instituut, dan hoor ik daar Friese echtparen die eerst op de bijnaam van een dorpsgenoot komen en zich vervolgens afvragen wat iemands officiële naam ook al weer was. “Hoe skriuwt dy him ek mar wer?” (‘Hoe schrijft die zich ook al weer?’) vraagt een vrouw dan aan haar man. “Ja, hoe stiet dy eins yn it boek?” (‘Ja, hoe staat die eigenlijk in het boek?’) vraagt een man aan z’n vrouw.

Zo’n bijnaam is ook een soort sociale proef: wie net als Jan kop tierend achter de jeugd aan rent die hem zo noemde, maakt geen vrienden. Het getuigt van sportiviteit om je bijnaam te omarmen, ook als die weinig vleiend is. Dat er soms wat onbegrip ontstaat tussen wie uit zo’n bijnamencultuur komt en wie een wat hoffelijker omgang gewend is, is ook niet verwonderlijk.

Als ik onze studenten vraag of ze mensen bij een andere naam kennen dan “hoe’t se yn it boek steane”, dan krijg ik naast bijnamen ook vaak voorbeelden van aanduidingen met familierelaties, waarbij mensen naar hun echtenoot/echtgenote of hun ouders worden genoemd. Voorbeelden zijn Fetsje fan Sjoerd en Sjoerde Fetsje en Fetsje fan Jaap en Joke. De naar SDAP-voorman Troelstra genoemde scholengemeenschap in Leeuwarden heet ook niet Pieter Troelstra, maar Piter Jelles: Pieter, zoon van Jelle.

Dit bericht is geplaatst in column, Naamkunde met de tags , . Bookmark de permalink.

5 Responses to Hoe schrijft die zich ook al weer?

  1. DirkJan schreef:

    Je hebt algemene bijnamen die iedereen kent en gebruikt, maar er zijn ook bijnamen die alleen binnen een gezin, familie (we hadden een ‘ome Jan’, een ‘onze Jan’ en ‘Jan van Voorburg’) of vriendenkring gangbaar zijn. Zo hadden wij toen ik op de lagere school zat een overbuurman die iedere dag stipt om half negen met zijn Opel Kadet naar zijn werk reed. We gebruikten dat als klok om zelf op tijd van huis te gaan voor school. We noemden de man, Meneer Van Half Negen.

  2. Maarten Tromp schreef:

    Aansluitend op de vorige reactie: in het gezin van mijn vader (*1908) was er een zus Annie. Toen mijn vader klein was woonde aan de overkant van de straat een nichtje, die, om haar te onderscheiden van “onze” Annie, ‘Annie van tante’ genoemd werd. Zij was de dochter van een zuster van mijn vaders vader. Haar naam werd uitgesproken alsof het één woord was: ‘Annievantante’.

  3. Frits van der Lep schreef:

    n Blije, dër’t ik hikke en tein bin, hie neffens my elkenien in bynamme; mei namme de manlju. Om mar wat foarbylden te neamen:
    Jurjen Drevel en Hiltsje Drip (in echtpear);; Johannes Bliksem; Johannes Kanadees; Willem Pap; Bertus Klokje; Jaap Smid; Pieter Poat; Homme Raam; Keimpe Kul; Piet Gas; Swarte Einte (net sa skjin); Swarte Joop (hier); Wite Harm (hier); Reade Harm (hier); Grutte Otte; Oege Bats; Smotske (wit syn namme eins noch net); Lytse Hendrik; Jelle Slokje; Woeste Wiebe……..ensfh.

    De nammen fan de echtpearen waarden ek keppele; en dan foaral om de frou te neamen.
    Us mem is der noch altiten hiel sterk yn, sels al is de man fan it stel al stoarn.
    Sjoerd en Tine, Sjoukje en Maaike, Durk en Riekje…..it wurdsje ‘en’ wurdt dan in soarte fan oergongsklank: Sjoerd-e-Tine, ensfh…Wat ik al sei, ús mem is dêr tige betûft yn. Gekoanstekkend freegje wy wolris wa’t dan jierdei is, at sy seit dat Lútzen-e-Tine jierdei is.

    Miskien noch wol aardich om te neamen: ik hie eartiids in pake/beppe Blije en in pake/beppe Bunschoten. ik fûn dan ek hiel frjemd dat myn neven/nichten it hienen oer beppe Tryntsje of pake Frits.

    Noch in anekdoate: oant myn tolfde ha ‘k tocht dat Bakker de bynamme wie fan de bakker yn Blije. It bliek syn echt achternamme te wêzen

  4. Harry Reintjes schreef:

    in mijn geboortedorp veghel hadden we een “sientje plek” en een “saaike fiep”. ondanks enig speurwerk de oorsprong van die namen nog niet gevonden. wie? natuurlijk kregen leraren op school ook bijnamen, zoals wij daar hadden op gymnasium bernrode (vh norbertuscollege, vh gymnasium st. norbertus) de janus, de muk, de puk, boris etc.. hierover is een mooi artikel te vinden in het brabants dagblad (13-06-08) “bijnaam was hooguit milde plagerij”.

Laat een reactie achter