‘God is omtrent het leeven van een Jood niet onverschillig’ (1793)

Jeugdverhalen over joden (48)

Door Ewoud Sanders

‘God is omtrent het leeven van een Jood niet onverschillig’ (1793)
Auteur: Cornelis Müller (†1793)

Advertentie uit de Oprechte Haerlemsche Courant van 23-11-1793.

Herkomst en drukgeschiedenis

Cornelis Müller, de auteur van deze verhalen, was tussen 1791 en 1793 predikant in Zijderveld, een klein dorp in de provincie Utrecht. Aan het eind van de 18de eeuw schreef hij verschillende jeugdboeken. ‘Edelmoedigheid en dankbaarheid van een Jood’ en ‘God is omtrent het leeven van een Jood niet onverschillig’ zijn opgenomen in Nuttige uitspanningen voor de Nederlandsche jeugd. Voor deze bundel leende Müller ‘zommige verhaalen uit werken in andere taalen geschreven’. De hier samengevatte verhalen zijn hoogstwaarschijnlijk oorspronkelijk in het Duits geschreven.

         Over het doel van zijn boek schreef Müller in zijn voorwoord: ‘Mijn vuurigste wensch is dat mijn Jonge Landgenootjes uit het gebruiken van dit werkje veel Nut in hunne Uitspanningen mogen trekken.’ Uitspanning betekent hier ‘vermaak, ontspanning’.

         Nuttige uitspanningen voor de Nederlandsche jeugd verscheen in 1793 bij de Haagse uitgever J.C. Leeuwestyn en beleefde daarna nog drie drukken bij andere uitgevers: in 1796, 1829 en 1835.

‘Edelmoedigheid en dankbaarheid van een Jood’

Aan het begin van de 18de eeuw beheert een ‘edele Israëller’ ergens in Polen een ‘Joodsche herberg’. Op een dag klopt er een jongeman aan zijn deur. De ‘Israëller’, die naamloos blijft, herkent hem. Zijn gast is namelijk een prins, de jongste telg van een adellijk Pools geslacht. De jood buigt eerbiedig voor hem. De prins vertelt dat door toedoen van anderen het hele familiekapitaal verloren is gegaan. Hij heeft afstand gedaan van zijn titel en is in dienst getreden van een edelman.

         De joodse herbergier zegt dat hij ooit is ‘overlaaden met weldaaden’ door de grootvader en vader van de prins. God heeft hem sindsdien gezegend met een groot kapitaal en nu wil hij iets terugdoen. ‘Ik kan dan eerst gerust sterven, wanneer ik sterve met het bewustzijn van iets ter herstellinge van uwen ouden luister te hebben bijgedraagen.’

         Na lang met elkaar te hebben gesproken besluit de jonge prins het aanbod van de joodse herbergier te aanvaarden. Eerst koopt de jood ‘deftige’ kleren en een koets met paarden voor hem. Hij geeft de prins duizend dukaten en voorziet hem van vier jonge dienstboden. Daarna legt de jood contact met ‘een rijk Duitsch heer’. Die heeft een dochter die alleen met een heer van adel wil trouwen.

         De prins en ‘de jonge juffer’ trouwen. Van haar vader krijgt de prins een bruidsschat van honderdduizend gulden, plus de toezegging dat er na de geboorte van hun eerste kind nog zo’n bedrag zal volgen. De prins en zijn vrouw krijgen twee zonen. Dankzij de edelmoedige en dankbare jood is zijn leven in oude luister hersteld.

‘God is omtrent het leeven van een Jood niet onverschillig’

Op een kermis in een kleine stad ontstaat tumult omdat iemand is beroofd. Op die kermis is ook een ‘onschuldige jood’ aanwezig. Een paar kwajongens roepen: ‘De jood is de dief!’

         ‘Eensklaps viel alles met stokken, steenen en wat men slegts krijgen kon, op hem aan. In minder dan twee minuuten lag hij reeds wezenloos op den grond.’

         Een knecht vertelt met trots dat hij met de hak van zijn laars alle tanden uit de mond van de jood heeft getrapt. De verteller, die naamloos blijft, spreekt zijn afkeer uit over de mishandeling. Omstanders begrijpen niet waar hij zich druk om maakt. ‘Het is maar een Jood’, zeggen zij.

         Nog diezelfde avond wordt ontdekt dat niet de jood, maar een christen de diefstal heeft gepleegd. Als de verteller dit hoort, zit hij met vrienden aan tafel. Hij vraagt: ‘Wie zal, wanneer hij [de mishandelde jood] nog in het leven blijvt, hem het verlies zijner onschatbaare gezondheid en het verminken zijner andere ledemaaten vergoeden?’ Tot zijn verbazing hoort hij zijn tafelgenoten (‘anders geschikte menschen’) zeggen: ‘Ha! wie zal zich daarom bekreunen? Het is maar een Jood.’

         Aan tafel vertelt de verteller een ‘waarlijk gebeurde geschiedenis’ over een jood die op een bouwplaats bijna een grote steen op zijn hoofd krijgt. Dat hij niet werd geraakt, is voor hem het bewijs dat God niet onverschillig is over het leven van joden.

            Na dit verhaal zegt hij tegen zijn vrienden: ‘Wij zitten hier zoo wel te vrede – eeten, drinken, vermaaken ons – en die arme onschuldige man wentelt in zijn bloed. Niemand verbindt hem, niemand reikt hem een drop water toe. Wat zullen wij antwoorden, wanneer de rechtvaardige rechter der waereld over ons dit vonnis zal uitspreeken: “Dit hebt gij aan mij gedaan.”’

            Dit maakt indruk. Er wordt een collecte gehouden voor ‘voor dezen armen, onder Christelijke handen, zoo mishandelden mensch’.

            Het verhaal eindigt met deze zinnen: ‘Mogt dit verhaal ook indruk op ons maaken en ons leeren om elk een, het zij Jooden, Heidenen of Barbaaren, op de menschlievendste wijs te behandelen.’

Doelgroep en receptie

De Haagse uitgever J.C. Leeuwestyn meldde in 1793 dat Mullers boek was bestemd voor ‘Kinderen van alle standen (…) om hen te vormen’ tot ‘nuttige Leden der Menschelijke Maatschappij’.

         Van Nuttige uitspanningen voor de Nederlandsche jeugd heb ik geen besprekingen gevonden. De herdruk van 1835 verscheen tegelijk met een ander jeugdboek van Müller. ‘De ongemeene graagte, waarmede de herdruk van Muller’s Nuttige uitspanningen ontvangen is’, meldde het tijdschrift Nieuwe bijdragen ter bevordering van het onderwijs en de opvoeding toen, ‘heeft de Uitgevers aangespoord om nog een onuitgegeven geschrift van dien geachten Schrijver te laten drukken, en aan hunne jeugdige landgenooten tot een aangenaam geschenk aan te bieden. De naam van wijlen den Zijderveldschen Leeraar Muller is in de kinderwereld met roem bekend.’

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter