Een neem-meepakket voor een meeneemprijs

Door Henk Wolf

In het Nederlands kun je twee of meer woorden combineren tot een samengesteld woord of samenstelling. Als je daarbij een werkwoord gebruikt en dat is niet het laatste woord van de samenstelling, dan moet je de stam van dat werkwoord gebruiken. Voorbeelden zijn:

  • drijven + sijsje = drijfsijsje
  • lopen + rek = looprek
  • zweven + vliegen = zweefvliegen

Wil je iets in zo’n samenstelling opnemen wat bij het werkwoord hoort, zoals een partikel of een plaatsbepaling of een lijdend voorwerp, dan komt dat in een uitgeklede vorm links van de werkwoordstam. Een paar voorbeelden:

  • mee + nemen + prijs = meeneemprijs
  • op de bank + zitten + premie = bankzitpremie
  • auto’s + verkopen + cijfers = autoverkoopcijfers

In het Standaardnederlands is een handjevol uitzonderingen op dat patroon, waarbij het werkwoord juist helemaal links staat van de dingen die erbij horen. Voorbeelden zijn brekebeen, waaghals, stokebrand, flapuit en klimop. Taalkundigen breken zich al lang het hoofd over hoe die woorden zijn ontstaan en een vermoeden is dat ze niet als woord tot stand zijn gekomen, maar als een ingekort zinnetje dat vervolgens een woord is geworden. Dat is in elk geval vrij duidelijk het geval bij een kleine groep woorden die we samenkoppelingen noemen. Een paar voorbeelden:

  • vergeet-me-nietje
  • jan-kom-kietel-me
  • spring-in-het-veld
  • doe-het-zelfzaak (samenstelling van een samenkoppeling en het woord zaak)

In de nauw aan het Nederlands verwante talen werkt het net zo. Ze hebben allemaal hetzelfde hoofdpatroon en daarnaast een handjevol gevallen waarin helemaal links een werkwoord staat en daarna nog minimaal één woord dat daarbij hoort. Een paar voorbeeldjes:

  • Störenfried (Duits: ‘stoor-vrede’ = lastpak)
  • Taugenichts (Duits: ‘deug-niets’ = deugniet)
  • Habenichts (Duits ‘heb-niets’ = armoedzaaier)
  • Tunichtgut (Duits: ‘doe-niet-goed’ = onverlaat)
  • Kieköver (Nederduits: ‘kijk-over’ = uitkijkpunt)
  • Kiek-um-de-Eck (Nederduits: ‘kijk-om-de-hoek’ = luilak)
  • Slukweg (Nederduits: ‘slik-weg’ = veelvraat)
  • krûpyntsje (Fries: ‘kruip-innetje’ = hutje)
  • falom (Fries: ‘val-om’ = ruïne)
  • droegewei (Fries: ‘droog-weg’ = wegendroger, bijnaam van de zon)
  • stek-yn-‘e-bûs (Fries: ‘steek-in-de-zak’ = dreumes)
  • hingel-tsjin-‘e-wâl (Fries: ‘hang-tegen-de-wal’ = zwakkeling)
  • smyt-yn-en-helje-mear (Fries: ‘gooi-in-en-haal-meer’ = brandstof die snel opbrandt)

De streektalen lijken wat ruimer in dit woordtype te zitten dan de grote landstalen, waarbij vooral de vele oorspronkelijk komisch bedoelde lange constructies opvallen.

Nou heb ik de indruk dat er in het Nederlands de afgelopen jaren opeens weer op enige schaal van zulke niet volgens het standaardpatroon gevormde woorden bij komen en dan in het bijzonder van het type doe-het-zelfzaak. Het zijn allemaal woorden met helemaal links een werkwoord, dan de rest van een ingekort zinnetje en dan nog een afsluitend zelfstandig naamwoord. Een paar internetvoorbeelden:

  • Als je vriendin op kamers gaan, is het erg leuk om haar een neem mee pakket voor op kamers te geven. (Gewoner zou zijn: meeneempakket.)
  • Een ‘Europese pluk-ze-wet‘ gaat het gemakkelijker maken om in de hele EU goederen van criminelen, én van hun familie, in beslag te nemen. (Gewoner zou zijn: plukwet.)
  • Spinvis, of Erik de Jong, duikt de collegezaal in om een ‘Kom terug-college‘ te geven, waarin hij uitweidt over deze wijsheden […]. (Gewoner zou zijn: terugkomcollege.)
  • Om er voor te zorgen dat er een kopie van een wacht op antwoord E-mail wordt opgeslagen in deze nieuwe map voegen we een filter aan het sorteercentrum toe.

Wat hierachter zit, geen idee. Het kan zijn dat een oud maar marginaal woordvormingsproces weer opleeft, het kan ook zijn dat het letterlijk vertalen van Engelse constructies hier tot het ontstaan van een nieuwe regel heeft geleid, het kan zijn dat een streektaalpatroon in de standaardtaal doorsijpelt. Het kan ook een eigen ontwikkeling in het Nederlands zijn om zinnetjes meer als manipuleerbare eenheden te gaan beschouwen. En er zijn vast nog wel meer hypothesen te bedenken. Wie het weet, mag het zeggen.

Een parallelle ontwikkeling die me opvalt, is dat de computer me de afgelopen jaren heel veel gebiedende wijzen voorschotelt. Ik weet nog wel dat ik dat een jaar of twintig geleden al opmerkte en het raar vond. Nu vind ik het niet meer raar. De browser gebruikt nog wel infinitieven als Bewerken in z’n menu’s, maar op websites is het vaak ‘Klik hier’, ‘Log in’, ‘Druk af’ of ‘Bestel’. Misschien, maar dat is volkomen speculatief, stuurt dat ons denken in die zin dat we gebiedende wijzen als de ongemarkeerde, normaalste vorm van een werkwoord gaan beschouwen, met als gevolg dat we een woordvormingsproces op basis van gebiedende wijzen gaan (her)gebruiken. En gebiedende wijzen staan nou eenmaal helemaal links in hun zinnetje.

Dit bericht is geplaatst in column, taalkunde met de tags . Bookmark de permalink.

1 Response to Een neem-meepakket voor een meeneemprijs

  1. Erik Bouwknegt schreef:

    Wat betreft dat laatste zou het misschien ook kunnen zijn dat het bedoeld is als aansporing om te klikken, in te loggen, etc. Dan voelt een gebiedende wijs net iets minder vrijblijvend dan een infinitief.

    Voor de stop-een-zin-in-de-samenstellingsamenstellingen zou het denk ik ook een combi kunnen zijn van Engelse invloed en eigen ontwikkeling van het Nederlands. Een woord beginnend met ‘neem-mee’ lijkt vrij letterlijk overgenomen uit Engels ‘take away …’, maar ‘wacht-op-antwoord-e-mail’ lijkt me eerder gewoon de puur vanuit het Nederlands bedachte benaming voor een e-mail waarin het zinnetje ‘wacht op antwoord’ de hoofdboodschap is, vergelijkbaar met een ‘aan-de-deur-wordt-niet-gekochtsticker’.

    Een vorm die ook nog voorkomt is eerst het hoofdwoord en dan een zinnetje, bijvoorbeeld in kruidje-roer-me-niet.

Laat een reactie achter