De verbondenheid van Nederlanders met hun taal

Door Marc van Oostendorp

De journalist van Trouw die me er vorige week kort over interviewde, deed heel geheimzinnig over het rapport van het Sociaal-Cultureel Planbureau over de Nederlandse identiteit: hij kon er niet teveel over vertellen, maar er zou wel instaan dat taal door Nederlanders héél belangrijk werd gevonden.

En of dat dan niet strijdig was met het feit dat Nederlanders zoveel Engelse woorden gebruiken.

In feite staat er in het rapport helemaal niet zoveel meer dan die journalist suggereerde. Uit een onderzoek van het SCP blijkt inderdaad dat Nederlanders taal het vaakst noemen als een verbindend element. Wie het rapport zelf leest, merkt dat dit geen nieuws is. Taal wordt vaak het allerbelangrijkst gevonden in dit soort onderzoeken – ook in andere landen. Het is natuurlijk ook iets dat je met vrijwel al je landgenoten bindt in een land waar de facto één taal dominant is, zoals Nederland.

Toeristisch

Met het gebruiken van Engelse woorden heeft dat niet zoveel te maken. Je wordt niet minder verbonden als je af en toe een leenwoord gebruikt, vooral niet als al je landgenoten dat ook doen. Een Engels leenwoord op zijn tijd kan meer verbinden dan puristisch geknor.

Wat mij dan meer verbaast: dat niemand op het idee komt – de schrijvers van het rapport niet, de commentatoren in de krant niet – erop te wijzen dat de Nederlanders die taal die hun nationale identiteit uitmaakt, delen met ruim zeven miljoen buitenlanders, vooral Vlamingen.

Toch bestaat er nauwelijks een Groot-Nederlandse gedachte. Het is anders: de Nederlandse taal verbindt, maar eigenlijk alleen de Nederlandse taal van Nederlanders. Alle Vlamingen die ik ken delen dan ook de ervaring dat ze weleens in een winkel in het Engels werden aangesproken, ook buiten toeristisch Amsterdam.

Symbool

Het werkt dus twee richtingen op: niet alleen voelen Nederlanders zich met andere Nederlanders verbonden doordat ze samen Nederlands kunnen praten, maar de taal van mensen die ze niet als Nederlanders ervaren, beschouwen ze dus ook niet als Nederlands.

Het voert zo ver dat ik de afgelopen tijd van verschillende moedertaalsprekers, bijvoorbeeld tweedegeneratie-Marokkanen, heb gehoord dat zij ook weleens in het Engels worden aangesproken. Ze zien er wat anders uit, zijn dus ‘niet Nederlands’ en dus past het nationale symbool kennelijk niet bij hen.

En zo is de taal niet alleen maar ‘verbindend’, zoals de SCP denkt, maar ook een bron van verschil.