De studie Nederlands: komkommer- en kweltijd

Door Jos Joosten

Ik weet ook wel dat de krant ook vol moet als het midden zomer is en dat we door een hittegolf heengaan en dat de redacteuren van dienst ook liever met een koud biertje aan het strand liggen. Maar er blijft toch ook in die barre omstandigheden enige journalistieke maatstaf aan wat je nog doorlaat als krant?
Je zou zeggen: al te onbeargumenteerde flauwekul haalt zelfs de heetste zomer niet.

Toch slipte gisteren in de Volkskrant het opinieartikel ‘Red de studie Nederlands voor literatuurliefhebber’ van Rosa van Gool langs de redactie in zomerslaap. Van Gool leverde een bijdrage aan het debat over de stand van zaken bij de studie Nederlands. Dat is op zichzelf al merkwaardig, want de productieve journaliste Van Gool is van huis uit classica en op de lange publicatielijst op haar website ontbreekt enig ander artikel dat maar in de verte met de neerlandistiek van doen heeft. Nu is al vaker gebleken dat zelfs rudimentaire inhoudelijke kennis van zaken geen basisvoorwaarde is om iets te vinden over de stand van de neerlandistiek (zie Pfeijffer of Gerbrandy), maar gefundeerder wordt de discussie er al met al niet door en veel nieuws weet Van Gool eigenlijk ook al niet te vertellen.

Wel veel flauwekul, dat dan weer wel.

Wat om te beginnen ook bij haar weer gebeurt, is dat ‘de studie Nederlands’ wordt ingeperkt tot de (moderne) Nederlandse letterkunde – wat welbeschouwd een deelgebied is van de hele studie. Gek eigenlijk dat analoog aan het argument ‘waarom aan wetenschappelijke literatuurtheorie doen, terwijl plezier in lezen toch genoeg is?’ in de hele, recente discussie nog niemand heeft gezegd: waarom krijg je bij de studie Nederlands wetenschappelijke taalkunde, sociolinguïstiek, psycholinguïstiek terwijl het toch leuk genoeg is om lekker zinnen te ontleden?

Ook verder zien we dat Van Gool slechts grossiert in algemeenheden (de neerlandistiek wordt geteisterd door ‘hoogdravende literatuurtheorie’) die weinig te maken hebben met de alledaagse praktijk van de studie Nederlands.

Het moeten intussen mooie tijden zijn voor de jonge onderzoekers Lucas van der Deijl en Roel Smeets. Op basis van één artikel in het Journal of Dutch Literature zijn zij plots dé voortrekkers én trendsetters met een benadering die ‘in de mode’ is binnen de gehele letterkundige neerlandistiek. Jammer misschien dat dat mede komt door een niet zo hilarische cabarettekst van Kees ’t Hart en nu weer door Van Gool die het fenomeen ‘distant reading’ duidelijk alleen uit de tweede zoniet derde hand kent:

Het grote voordeel van distant reading is dat je dingen kunt tellen en die cijfers in tabellen kunt zetten, waarvan je staafdiagrammen kunt maken. Dat kan leiden tot een wetenschappelijke publicatie in bijvoorbeeld de Journal of Dutch Literature, en zo’n publicatie is weer belangrijk voor de carrière van de auteurs.

Wat zien we hier in één citaat? Geen benul van wat ‘distant reading’ beoogt of behelst, een volstrekt wause parafrase van de werkwijze, met als uitsmijter niets over eventuele intentie of toewijding van de onderzoekers, liefde voor het vak, urgentie van de onderzoeksresultaten, relevantie van de bevindingen, maar alleen de kwaadaardige suggestie dat dit onderzoek louter uit carrière-technische overwegingen wordt gedaan.

Nu vallen er bij Moretti’s ‘distant reading’ best conceptuele kanttekeningen te plaatsen en valt er over facetten van Van der Deijls en Smeets’ onderzoek best te debatteren. Maar wat Van Gool hier doet is een uit louter luiheid en bevooroordeeldheid ingegeven jammerlijke karikatuur.

Yra van Dijk merkte in De Nederlandse Boelengids op dat studenten Nederlands graag met literair-theoretische concepten worden geconfronteerd. Van Gool reageert:

Nog afgezien van of deze bewering klopt – Van Dijk baseert zich hier op eigen ervaring, niet op onderzoek – rammelt de redenering aan alle kanten. Ten eerste is het maar de vraag of het bij het bepalen van het curriculum zo belangrijk is wat de studenten het leukst (of ‘het best te verteren’) vinden.

Hier zijn we getuige van – zeker voor een classica – wel erg kwakkelige retoriek. Is Van Dools aanname immers niet dat als ‘de’ studie Nederlands maar gewoon weer liefde voor literatuur zou gaan uitdragen de studenten weer zouden toestromen?

Ik ben het nu even kwijt: moeten we nou dus wél of niet uitgaan van wat de studenten willen?

Ronduit geestig is het dat zij Yra van Dijk voor de voeten werpt dat die zich baseert ‘op eigen ervaring, niet op onderzoek’. Daarmee is Van Dijk immers altijd nog een cruciale stap dichter bij de praktijk van de neerlandistiek dan Van Dool met al haar feitenvrije kletspraat.

Ik weet het wel, dit hele stuk is slechts de bevooroordeelde mening van een niet zo in de materie geverseerd individu – en in deze digitale tijden zijn we daar stilaan wel aan gewend. En toch, tóch blijf je hopen dat de echte kwaliteitsmedia af en toe, héél af en toe, een grens stellen aan de lulkoek waar ze hun kolommen voor open stellen, zelfs in komkommertijd.