‘De jood’ (1785)

Jeugdverhalen over joden (46)

Door Ewoud Sanders

‘De jood’ (1785)
Auteur: Christian Gotthilf Salzmann (1744-1811)

Herkomst en drukgeschiedenis

Christian Gotthilf Salzmann

Salzmann was een Duitse predikant en pedagoog. In 1784 stichtte hij op landgoed Schnepfenthal in Waltershausen (Thüringen) een eigen opvoedingsinstituut. Salzmann behoorde tot de laat-achttiende-eeuwse Duitse pedagogen die bekendstaan als filantropijnen. Zij propageerden dat er in de opvoeding geen hoger gezag bestaat dan de rede/het gezonde verstand.

         Salzmann schreef diverse pedagogische werken en lesboeken. Daarnaast schreef hij allerlei zedenlessen voor de jeugd. Het verhaal ‘De jood’ verscheen in Unterhaltungen für Kinder und Kinderfreunde, een reeks die verscheen tussen 1778 en 1787. Het verhaal werd ten minste twee keer in het Nederlands vertaald en vier maal gepubliceerd: in 1825, 1792, 1793 en 1820. In de samenvatting is geciteerd uit de tweede vertaling uit 1792.

Samenvatting

Een joodse marskramer die gespen verkoopt wordt door een vader gevraagd om binnen te komen. De vader heeft twee zoons: Adolf en Pieter. Terwijl de vader onderhandelt met de marskramer, sluipt Adolf naar de keuken. Van de meid krijgt hij een stuk spek dat hij ‘zeer behendig’ in de zak van de marskramer stopt.

         Aan het gelach van de jongens merkt vader dat er iets is voorgevallen. Nadat Adolf heeft toegegeven wat hij heeft gedaan, wordt hij streng door zijn vader ondervraagd.

         Vader: ‘Wat heeft u bewogen, Adolf?’
         Adolf: ‘Ik wilde eens een grapje uitvoeren, Vader!’

         Daar heeft vader niets op tegen, maar hij wijst erop dat zijn zoon de marskramer heeft beledigd. Als Adolf opmerkt dat hij er geen bezwaar tegen zou hebben als iemand zelfs een heel pond spek in zijn zak zou hebben gestopt, zegt vader: ‘Dat gelove ik, want gij eet het gaern. Maer hoe zou het zijn, als iemand u een stuk hondenvleesch in den zak stak?’

         Dat zou Adolf toch wel een ‘ellendige pots’ vinden.

         Vader stelt dat zijn zoon zich slecht heeft gehouden aan deze les van Jezus: ‘Alles, wat gij wilt, dat u de menschen doen zullen, doet hen ook alzoo!’

            Adolf probeert zich nog te verdedigen: ‘Maer Vader! hij is maer een Jood!’

            ‘Dat wete ik wel’, antwoordt vader. ‘Maer waer onder rekent gij de Joden? Onder de menschen of onder de dieren?’

         Volgens Adolf zijn joden stellig ook mensen, maar als ze nou christen zouden worden, dan zouden ze ook van spek kunnen genieten.

         Na nog wat heen-en-weergepraat vraagt vader wat er nodig zou zijn om joden tot het christendom te bekeren. Hij geeft zelf een voorzet: ‘Zoo moet gij dan ook alles vermijden wat hun afkeer tegen de Christenen kan doen toenemen.’

         Dit doet Adolf inzien dat hij fout heeft gehandeld. ‘Ik hebbe den goeden Jood niet alleen beledigd, maer ook zijne bekeering verhinderd.’

            De jood wordt binnengeroepen, de jonge Adolf kust zijn hand, vraagt om vergiffenis en belooft ‘dat hij van zijn leven geen Jood meer kwellen zou’.

            Vader legt de marskramer uit dat de belediging het gevolg is van het ‘onverstand van zijn kind’. ‘Waere Christenen’, zo besluit hij, ‘pleegen nimmer iemand in zijnen Godsdienst te kwellen, want Christus, in wien zij geloven, heeft hen geleerd, dat men alle menschen moet liefhebben gelijk zich zelven.’

            De ‘onverwachte grootmoedigheit’ van vader en zoon treft de jood. ‘Hij werd wel geen Christen, maer kreeg doch veel grooter achting voor de Christenen, en ging veel bescheidener met hen om dan te voren.’

Verhaalvarianten

In de vertaling uit 1785 zegt Adolf over de marskramer: ‘Wel vader, het is toch maar een smous!’ In de vertaling uit 1792 luidt die zin: ‘Maer Vader! hij is maer een Jood!’ Smous is een scheldwoord voor ‘jood’. In de vertaling uit 1792 kust Adolf de joodse marskramer ter verontschuldiging op zijn hand, een detail dat ontbreekt in de vertaling uit 1785.

Doelgroep en receptie

De samenstellers van het Leesboek voor kinderen (1785) leggen de ‘lieve kinderen’ in hun inleiding uit dat godsdienst en deugd de twee voornaamste bronnen zijn voor waar geluk. De verhalen zijn bedoeld om ‘de tedere en onervarene jeugd met deugd en godsdienst bekend te maaken’, onder meer door ‘aangenaame en leerrijke gesprekken’ – zoals in het verhaal ‘De jood’.

         Van deze bundel heb ik geen besprekingen gevonden.

         De samenstellers van het Stichtend en vermaeklijk handboekje voor kinderen en kindervrienden (1792) kozen uit het werk van Salzmann voorverhalen die ‘als meest geschikt voorkwamen ter leeringe en tot vermaek’. Alles bij elkaar hebben ze tot doel ‘om alle onze jonge Lezers gehoorzaeme kinderen en eerlang ook brave burgers en goede Christenen te doen worden’.

         Van deze bundel heb ik één bespreking gevonden. Het tijdschrift Vaderlandsche Letteroefeningen oordeelde in 1793 dat alle verhalen ‘eene heilzaame strekking hebben door het bestrijden van ondeugden of vooroordeelen, en het vertoonen van deugd en gehoorzaamheid in een behaagelyk licht’. Van de vijftien verhalen in de bundel, drukte Vaderlandsche Letteroefeningen het verhaal ‘De jood’ integraal af. Dit ‘om te dienen tot eene proeve, op hoedanig eene wyze de schrandere Salzman [tegen] de schadelyke vooroordeelen te keer ging’.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter