Willy Roggeman wordt 85: archief van 65 jaar schrijverschap.

Door Jürgen Pieters

Willy Roggeman in zijn werkkamer in Ninove, 2018.
Foto: Jürgen Pieters

Vandaag, 9 juni, wordt de Vlaamse auteur Willy Roggeman 85. Hij werd in 1934 geboren in het Oost-Vlaamse Ninove, waar hij nog steeds woont. Roggeman is intussen ook al 65 jaar schrijver. Twee redenen om te vieren dus. 

In 1954 – hij was toen derdejaarsstudent Germaanse Filologie aan de Universiteit Gent – maakte Willy Roggeman zijn officiële intrede in de Vlaamse literatuur met de publicatie van de gedichtencyclus ‘Nuages’ in Tijd en Mens. Dat blad was op dat moment het belangrijkste literaire tijdschrift in het Zuiden van het Nederlandse taalgebied, met in de redactie letterkundige giganten als Louis-Paul Boon, Hugo Claus en Jan Walravens. Boon nodigde Roggeman uit op de redactievergaderingen en liet hem ook stukken schrijven voor de boekenpagina van de Vooruit. 

In de loop van zijn carrière schreef Roggeman een oeuvre samen dat intussen een 120-tal titels in verschillende genres omvat – gedichten, letterkundige essays, autofictioneelproza en jazzkritiek. Slechts een derde van het oeuvre werd gepubliceerd, voornamelijk in de jaren 1960-1970. Roggemans eerste boekpublicatie,   de essaybundel De adem van de jazz, verscheen in 1961 in de boekenreeks van Gard Sivik, het tijdschrift waar hij tussen 1959 en 1963 deel van uitmaakte. Twee jaar later kwam Het goudvisje uit, de roman waarmee hij in 1962 de Leo J. Krynprijs won (Boon, Claus en Walravens waren hem voorafgegaan) en in 1964 Blues voor glazen blazers, waarvan de vroegst geschreven delen teruggaan tot 1953. Deze kunstenaarsroman – het hoofdpersonage is een jonge jazzmuzikant, Peter Witherspoon – verscheen in de reeks ‘nieuwe nijgh boeken’ bij Nijgh & Van Ditmar, waarin Roggemans belangrijkste titels werden gepubliceerd. Met titels als Yin/Yang (1964), Het zomers nihil (1967), De axolotl (1967) en Homoïostase (1971) bouwde Roggeman bij critici en lezers de reputatie op van een zowel voor zichzelf als voor de lezer veeleisend oeuvrebouwer van internationaal georiënteerde teksten. Zijn schrijven ligt in de lijn van het Europese modernisme, dat hij blijkens zijn doorwrochte essays door en door kent. Aan zijn poëzie in bundels als Nardis (1966) en Indras (1973) is dat duidelijk te merken in ‘onpersoonlijke’ gedichten in de trant van de late Rilke, de late Van Ostaijen en Gottfried Benn: geen verzen die een gemoedstoestand van de dichter uitdrukken, maar woordconstructies die op zich moeten staan. 

In de jaren 1980 verschenen nog enkele boeken van Roggeman (onder meer in de bibliofiele uitgaven van Grijm), maar dan werd het een hele tijd stil rond de auteur. Roggeman bleef evenwel schrijven en in 1996 vroeg de redactie van het Vlaamse literaire tijdschrift Yang hem een bloemlezing samen te stellen uit zijn rijk ongepubliceerd werk: Postumiteiten is de door de auteur gekozen ironische titel van het nummer – de auteur die zich in het artistieke proces moet wegschrijven uit de tekst, is blijkbaar nog lang niet dood. Met de in 2004 verschenen Verzamelde Gedichten kwam er opnieuw interesse voor het werk van Roggeman. Bij uitgeverij het balanseer verschenen een reeks fraai uitgegeven boeken die de consistentie van Roggemans meer dan zes decennia overspannende oeuvre bevestigen: het gedicht Cadenas (2008), de autofictionele ‘kroniek’ Betoverende katastrofe (2008), de essyaistische reflecties van Practicum of het steriele schrijven (2009), de prozagedichten Lustrumprotocollen voor het ontbijt (2012), het Van Ostaijen-leesdagboek Arabesken met zot Polleken (2014) en het ‘ludiek lyriekconstruct’ Thesaurus privatus (2017). (Bovendien bracht het balanseer in 2012 twee jazzplaten uit van het Willy Roggeman Jazz Lab: Anarchic Rehearsal en Sessions 72)

In het najaar van 2019 plant het balanseer intussen de uitgave van een bijzonder nieuw boek van Roggeman: Vergelijkingen met twee onbekenden, een autobiografisch relaas (‘leugenarm’, zoals de ondertitel aangeeft) waarin de lezer zal kunnen vaststellen dat het werk van de auteur, die altijd heeft beweerd dat zijn werk niet mag worden afgewogen aan zijn leven, toch door en door in dat leven geworteld is. Naar aanleiding van deze publicatie zal in de Faculteitsbibliotheek Letteren en Wijsbegeerte van de Universiteit Gent een tentoonstelling lopen die scherpstelt op de studentenjaren van Roggeman (1951-1955), waarin zijn eerste publicaties het licht zagen. De opening van de tentoonstelling zal ook de gelegenheid vormen voor een presentatie van het in opbouw zijnde Archief Willy Roggeman. 

In 2008 besliste de auteur zijn literair archief en zijn persoonlijke bibliotheek te deponeren bij de Universiteit Gent. In het voorbije decennium is het archiefmateriaal geleidelijk aan overgedragen en geïnventariseerd. Een gedetailleerde beschrijving van het gearchiveerde materiaal is intussen beschikbaar via de website van de afdeling Nederlandse literatuur in Gent. Voorlopig zijn de manuscripten en typoscripten van de 120 titels van Roggemans ‘opera’ beschreven. De door de auteur als finaal beschouwde typoscripten van alle werken zullen de komende maanden worden gedigitaliseerd en binnen het netwerk van de UGent toegankelijk worden gemaakt. In de nabije toekomst wordt ook werk gemaakt van de beschrijving van Roggemans diaria en zijn rijke correspondentie – daarbinnen zijn interessante deelcollecties voorhanden met, onder meer, René Gysen, Gust Gils, Pierre Dubois, Paul De Wispelaere en Stefan Hertmans. Een uitermate interessante bron van informatie is de decennialange (sinds 1978) correspondentie met de Nederlandse dichter Bert Kooijman, die zijn deel van de correspondentie intussen ook bij het Archief Roggeman deponeerde. 

Naast zijn literair archief schonk Roggeman ook zijn werkbibliotheek aan de Gentse Universiteit. Op 500 titels na is die intussen integraal opgenomen in de bibliotheekcollectie van de UGent: onder het label ‘BIB.ROG.’ kunnen alle boeken worden teruggevonden via de zoekfunctie op de website van de Gentse bibliotheek . Ze kunnen worden geraadpleegd in de leeszaal van de bijzondere collecties, maar niet ontleend. Roggemans bibliotheek bevat boeken van en over de groten waarmee hij zich in zijn essayistische werk herhaaldelijke bezighield (Adorno, Alain, Walter Benjamin, Benn,  Carl Einstein, Kafka, Musil, Rilke, …). Roggemans leesexemplaren bevestigen zijn grondige vertrouwdheid met hun oeuvres.   

Ook Roggemans visuele werk – schilderijen op canvas en ‘paintings on paper’ – zal op termijn deel gaan uitmaken van het Archief Roggeman, net als zijn rijke platencollectie. Deze collectie is vooral interessant voor de verdere studie van Roggemans talrijke geschriften over jazz, waartoe ook de meer dan 250 kortere stukken behoren die hij tussen 1967 en 1974 schreef voor De Bond, het weekblad van de Gezinsbond. Tot Roggemans niet-gepubliceerde werken behoren nog verschillende titels die gewijd zijn aan de muziekvorm waarvan de auteur een internationaal gereputeerd kenner is: Yours Swingcerely (1970), Jazz Synthetics (volume IV van Scratch, 1969-1974), Jazzconserven (1983-1986). Ook in Roggemans bibliotheek is de geschiedenis en de actualiteit van de jazz een centraal thema.

In het najaar – op een nog te bepalen moment – wordt het Archief Roggeman aan de Universiteit Gent gepresenteerd. Verdere plannen zullen daarbij zeker aangekondigd worden. Vandaag past het vooral de jarige auteur toe te wensen dat zijn schrijven mag blijven. Ad multos annos!