Twee minderjarige jongelui met iets als mutsjes op ’t hoofd, die door kleur en grootte aan rode ouwels deden denken.

De Multatulileesursus (35)

Door Marc van Oostendorp

– Dit was voor het eerst in mijn lezersleven dat ik voorbij de eerste hoofdstukken van de Miljoenenstudieën gekomen ben.

– Ik blijf het lastig vinden. Er zit zo weinig draad in. Het zijn discussies over allerlei onderwerpen, maar die zijn niet allemaal even boeiend.

– Qua vorm is een van de interessante aspecten van die eerste hoofdstukken juist dat de ik-figuur, die mogelijk op Multatuli lijkt, helemaal niet de boventoon voert. Dat is de oude Adolf, die door hem wordt aangesproken als Meester. Multatuli die iemand anders een Meester noemt!

= Toch lijken veel van Adolfs opinies me nog gelijk aan die van Multatuli.

– Ja, maar die neiging had Multstuli sowieso, hè. Zijn meningen aan al zijn personages geven. Ook met Droogstoppel of meester Pennewip lijkt hij het vaak eens.

– Al die personages hebben bijvoorbeeld onveranderlijk een hekel aan poëzie. Het is ongelooflijk hoeveel woorden Multatuli in zijn werk gewijd heeft aan de op zich niet heel ingewikkelde mededeling dat er in gedichten noodzakelijkerwijs, vanwege metrum en rijm, geweld wordt gedaan aan de feitelijke waarheid. Het zat hem nogal dwars.

– Ja, ook hier gebeurt dat weer. Bijvoorbeeld waar hij schrijft over de ramp die gebeurde nadat Van Speyk zichzelf opblies: iedereen begon gedichten te schrijven.

– Na de explosie… wat denkt ge dat er volgde?
– Ik denk dat stukken en brokken in de Schelde vielen, Meester.
– Ook. Maar de hoofdzaak was: verzen, verzen, verzen… ach, du gnädiger Gott, wat al verzen! Beeloo maakte er ook een, en dat beviel me:

Van Speyk verdween,
Een prulpoëet verscheen…
Een ongeluk komt nooit alleen!

– Ik heb tussen twee haakjes eens opgezocht wie die Beeloo was. Multatuli lijkt dat bekend te veronderstellen, maar ik had nog nooit van de beste man gehoord. Hij blijkt weer een van die vele volkomen vergeten maar interessante negentiende-eeuwers te zijn geweest die ondanks allerlei moeilijkheden en tegenslagen de tijd vond om zich aan intellectuele activiteiten over te geven. Op de DBNL vind je een geweldig biografietje van hem:

Onvermoeid was hij werkzaam op velerlei gebied. Hij verwierf zich een eereplaats in de rij van hen, die zich zelf een weg door ’t leven baanden.

– Ja, en dan is er nog een gedicht dat hij schreef ter ere van het water, een parodie op de drinkliederen die lofliederen zijn over wijn:

Hoe vervelen mij die zangen
Eeuwig op den Wijn!
Moest die ’t water eens vervangen,
Zegt, wat zou het zijn?….
Zou men dan ooit dijken bouwen;
Rees één dijkgestoelt’?….
Weldra, beemden en landsdouwen,
Waart gij overspoeld!

– Toch is het raar dat Multatuli altijd maar op de onwaarheid van die gedichten zat te hameren. Je zou kunnen zeggen dat poëzie alleen maar een extreme vorm is van taal. Ja, het heeft misschien meer vormeisen, maar ook proza wil van alles dat misschien iets anders is dan de volle waarheid uitdrukken. Ook proza dwingt je tot liegen, en daar hoor je Multatuli nooit over.

– Tenzij je misschien zo’n wilde vorm kiest als de Miloenenstudieën, die alle kanten opwaaiert.

– Nee, dan nog. Het blijft proza, het blijft een boek, het blijft een verhaal. Hoe onbegrijpelijk en wild je het ook maakt voor je lezers, het zal nooit zo onbegrijpelijk en wild worden als het leven zelf.

– Maar hoezo zei jij nu daarnet dat je deze keer veel beter door die eerste hoofdstukken heen kwam?

– In het vorige deel dat we lazen, met brieven en documenten gaf een recensent uit Multatuli’s tijd het advies om gewoon door te lezen als je iets niet begrijpt. De vorm is zo grillig dat je vanzelf wel weer op een passage stuit die je wél aansluiting geeft. Er staan in ieder geval genoeg mooie en vooral grappige zinnen in:

De Moezel wou zich verdrinken. Maar ’n rivier komt daar zelden toe.

– Ja! Wat ik een heel fijne zin vond:

Twee minderjarige jongelui met iets als mutsjes op ’t hoofd, die door kleur en grootte aan rode ouwels deden denken.

– Dat had ik ook aangestreept. Iets dat door de kleur aan een rode ouwel doet denken.

– Terwijl ouwels nooit rood zijn.

– Dankjewel dat je de grap even uitlegt.

– Of zouden er indertijd echt rode ouwels hebben bestaan? Je vindt in achttiende eeuwse teksten wel degelijk verwijzingen naar zoiets.

– De vraag is natuurlijk waarom het grappig is. Het is een vorm van absurdisme om iets te vergelijken met iets anders, terwijl dat andere niet bestaat.

– En het is grappig om te zeggen dat iets door de kleur doet denken aan iets roods, in plaats van te zeggen dat het rood is.

– Ja, en zijn ouwels niet nogal klein voor mutsjes? Zelfs de ouwels die je de priester ziet breken lijken mij kleiner dan het gemiddelde keppeltje.

– Ook dat is natuurlijk een vorm van taalkritiek: je laat indirect zien hoe belachelijk metaforen eigenlijk zijn.

– Ja, zo bezien zijn heel veel opmerkingen in de Miljoenenstudieën commentaar op de onmogelijkheid om echt iets te zeggen. Ook dat grapje over de Moezel dat jij daarnet aanhaalde.

– Op een zeker moment laat hij Adolf tegen de ik-persoon zeggen:

Niets is geheel waar, myn jongen. Onthoud die spreuk, en zend haar als waarschuwing vooruit, als ge weer Ideen schryft.

– Ja, een postmodern grapje, waarvan Multatuli er helemaal aan het eind van de Miljoenenstudies nog een maakt (over dat niets poëtischer is dan de waarheid) maar in die zin natuurlijk ook een waarschuwing dat je fictie zit te lezen. En dat zelfs dat Idee over dat niets geheel waar is, zelf een soort fictie is.

– En over die fictie heeft hij her en der toch nog het een en ander te zeggen, bijvoorbeeld helemaal aan het begin van het boek als hij het eigenlijke verhaal inleidt:

Vóór alles eis ik stipt, onvoorwaardelyk geloof. Dit zal u te gemakkelyker vallen, omdat myn verhaal een zeer theologische tint heeft. Want er komt van aardmannetjes en kobolden in, en zulke dingen zyn lichter te verteren dan onwaarheden die voor de hand liggen. Ik zou u niet durven opdringen dat 2 × 2 = 5 is, maar ietwat spokery zal uw gezond verstand niet in oproer brengen.

– Jullie weten dat Atte Jongstra een boek heeft geschreven dat vooral over de Miljoenenstudieën gaat, Kristalman?

– Ja, dat heb ik indertijd ook gelezen. Wil je die nu ook op de lijst zetten? Goed idee, mensen?

– Zullen we daar niet nog even mee wachten? Volgens mij hebben we nog wel genoeg te bespreken over de eigenlijke Miljoenenstudieën om ook volgende week een bijeenkomst te beleggen, toch? Eigenlijk hebben we nu alleen het eerste derde van het boek besproken.

– Me dunkt. We hebben in deze hele leescursus nog niets over het gokken gezegd. En eigenlijk zijn die laatste twee derde veel boeiender dan het eerste.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in column met de tags , . Bookmark de permalink.

1 Response to Twee minderjarige jongelui met iets als mutsjes op ’t hoofd, die door kleur en grootte aan rode ouwels deden denken.

  1. Aaltje Duursma schreef:

    Er is niets poëtischer dan de waarheid: dus hierbij rode ouwels: https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/stokoude-ouwel-in-nieuwe-jasjes~b2805355/. Denk ook aan notariszegels enz.

Laat een reactie achter