Leenwoorden uitspreken: je eigen keuze

Door Marc van Oostendorp

Sommige taalonderwerpen lijkt iedereen interessant te vinden, behalve de taalkundige. Leenwoorden zijn daar een voorbeeld van: begin in een volle bus een gesprek over taal, en binnen de kortste keren worden leenwoorden daarin genoemd; maar heel veel taalwetenschappelijk onderzoek is er niet naar dat verschijnsel.

Het boek Borrowing van de Canadese taalkundige Shana Poplack is daarom een welkome aanwinst in de literatuur. In het boek beschrijft Poplack uitgebreid haar onderzoek naar hoe woorden uit de ene taal in een andere taal worden overgenomen en hoe zo’n ‘vreemd’ woord gaandeweg integreert – in de taal zelf en in de taalgemeenschap.

Een fascinerend hoofdstuk is bijvoorbeeld dat over de uitspraak van leenwoorden. Als een woord lang genoeg gebruikt wordt, gaat de uitspraak zich vanzelf aanpassen aan de nieuwe taal. In het Nederlands spreekt niemand computer nog op zijn Engels uit, met een Engelse p of een Engelse t. Als je dat wel doet, klink je enorm aanstellerig en eigenlijk alsof je niet weet hoe het hoort. Voor nieuwere leenwoorden is dat niet altijd even duidelijk: ik geloof dat Whatsapp nog door veel mensen in mijn omgeving met een Engelse w wordt uitgesproken. Waar ligt de grens?

Statistisch effect

Poplack onderzocht dit voor Canadezen die tweetalig zijn in het Engels en het Frans, zowel voor voor de gelegenheid door haarzelf verzonnen woorden (zodat je de geschiedenis kunt uitsluiten) als voor reeds bestaande leenwoorden.

Het verrassendste resultaat: er valt geen peil op te trekken wie zijn leenwoorden nu precies aanpast aan zijn moedertaal. Er zijn duidelijk individuele verschillen: sommige mensen hebben meer dan anderen de neiging om woorden uit te spreken alsof ze altijd al in de moedertaal hebben gezeten. Maar die verschillen correleren met geen enkele factor die Poplack heeft onderzocht: niet met leeftijd bijvoorbeeld en niet met kennis van de twee talen.

Bovendien hadden de deelnemers – die allemaal vloeiend waren in het Engels en het Frans – weliswaar hun eigen stijl, maar vertoonden ze ook allemaal in hun spraak veel variatie. Ze spraken leenwoorden niet altijd op dezelfde manier uit. (De stijl is dus vooral een statistisch effect: het gaat erover hoe vaak je woorden al dan net aanpast.)

Het is mogelijk dat Poplack een factor over het hoofd ziet, maar vooralsnog lijkt het er dus op dat mensen een individuele keuze maken in de uitspraak van hun leenwoorden. In ieder geval totdat zo’n woord zo geïntegreerd is geraakt (zoals computer) dat niemand het meer anders doet.

Shana Poplack. Borrowing. Loanwords in the Speech Community and in the Grammar. Oxford: OUP, 2018. Bestelinformatie bij de uitgever.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in recensies met de tags , , , . Bookmark de permalink.

8 Responses to Leenwoorden uitspreken: je eigen keuze

  1. Gerard van der Leeuw schreef:

    Zou goed kunnen, maar wat mij opvalt dat onze zuiderburen de bel meer ‘vernederlandsen’ dan de gemiddelde Nederlander.
    Rectcleren, een siete, enz. enz. Misschien toch ook wel een beetje een kwestie van mentaliteit.

  2. Marcel Plaatsman schreef:

    Vandaag hoorde ik op het radionieuws “Whatsapp” inderdaad op z’n Engels uitspreken. Dat vond ik dan weer opvallend.

  3. Henk Wolf schreef:

    Er is nog wel variatie in de lengte van de -oe- van ‘computer’, met de lange variant als on-Nederlands uitspraakkenmerk. Zie:
    https://www.demoanne.nl/de-oe-van-computer/

    • De lange hoge klinkers ie, uu en oe zijn bekend als ‘leenfonemen’ (team, centrifuge, rouge) en voor de r (bier, buur, boer). Ik zie die klinkers dan ook niet als on-Nederlands, hooguit als marginaal. Dat staat niet in de weg dat ik vermoed dat een lange u in compûter vaker voorkomt in het Nederlands van Friestaligen.

  4. Aanpassen aan de moedertaal is één ding, geen idee hebben van welk woord je nu eigenlijk leent, is een ander. Ik denk aan, bijvoorbeeld, knotsji (gnocchi) en takliatelle (tagliatelle). Overigens kocht ik ooit eens een pakje gnocchi in Kroatië; het droeg daar de naam ‘njoki’.

  5. Rob Alberts schreef:

    Interessant onderzoek.

    Mooi dat levend taalgebruik altijd verrassend blijft.

    Vriendelijke groet,

  6. Henk Smout schreef:

    De Duitse klemtoon in salonfähig valt op het met genasaliseerde klinker uit te spreken -lon-. Ik meen in het Nederlands -fähig met klemtoon onveranderlijk op -fä- ook wel als achtervoegsel van Nederlandse stammen te zijn tegengekomen. Iets om in de gaten te houden, want uit het hoofd weet ik zo gauw geen voorbeeld met zekerheid te noemen,

Laat een reactie achter