Hoe vind je de klemtoon in een woord?

Door Henk Wolf

Klemtonen zijn rare dingen. Een klemtoon maakt een lettergreep opvallender dan overige lettergrepen, maar dat kan op verschillende manieren: beklemtoonde lettergrepen kunnen bijvoorbeeld luider zijn dan hun onbeklemtoonde buren, maar ook op een hogere toon worden uitgesproken of langer worden aangehouden. Nederlandstaligen gebruiken vooral de laatste twee manieren.

Iedereen die als moedertaal Nederlands spreekt, legt klemtonen. Als anderen spreken, hoor ik waar die klemtonen liggen. Dat geldt alleen niet voor iedereen. Elk jaar weer kom ik studenten tegen die met wanhoop in hun stem vragen hoe ze in vredesnaam de klemtoon kunnen vinden. Soms hebben ze al hun toevlucht genomen tot internet en daar allerlei vuistregels gevonden, maar zelf horen doen ze het niet, niet eens in hun eigen spraak.

Uiteraard hebben we het als docenten onderling over zo’n probleem. Dan wisselen we ook de didactische aanpakken uit die we gebruiken om studenten te helpen bij de oplossing van dat probleem. Omdat ik bij het googelen niets vond wat de wanhopige student helpt, zet ik er maar een paar op een rijtje.

Daarbij is volgens mijn collega’s en mij één ding wezenlijk: de didactiek moet gericht zijn op het bewust maken van kennis die onbewust aanwezig is. Wie klemtonen gebruikt, doet iets en moet zich ervan bewust worden dat ie dat doet. Aan quick fixes met vuistregels doen we niet, want die omzeilen juist het ontwikkelen van inzicht en zijn waardeloos op momenten dat je je klemtoonintuïties nodig hebt, bijvoorbeeld om na te gaan of plastic tasje nou één woord is of twee.

De simpelste manier om je van je klemtoonintuïties bewust te worden, is overdrijven. Twijfel je waar de klemtoon van lampenkap ligt, spreek dan elke lettergreep uit met een sterk overdreven klemtoon uit (hoog en lang, eventueel ook luid) en elke andere lettergreep heel stilletjes en onopvallend. Een docent kan dat een paar keer voordoen en de student hoort dan bijna altijd wel dat maar één variant acceptabel klinkt. Soms zegt een student dan: “Als u het doet, hoor ik het wel, maar als ik het zelf doe, niet.” Vaak ligt dat eraan dat de student dan niet voldoende overdrijft. Dat kun je met elkaar oefenen. Op de Facebookgroep Leraar Nederlands vertelde een leraar dat ie goede ervaringen had met de opdracht ‘Doe alsof je je hondje roept’, dus: ‘laaampekap!’ Meestal lukt het de student na een tijdje ook wel met zulke oefeningen. En dan kan ie het later als leraar weer aan z’n leerlingen voordoen.

Andere manieren zijn gebaseerd op het natuurlijke ritmegevoel van mensen. Vraag ze om het woord waarin ze de klemtoon zoeken steeds opnieuw uit te spreken: lampenkap-lampenkap-lampen… en laat ze dan meewiegen op de maat. Vaak bewegen ze mee op de beklemtoonde lettergreep. Meeklappen op de maat werkt ook goed, net als vingerknippen of luchtdrummen. Soms werkt het beter als het woord in een zinnetje wordt opgenomen: waar is mijn lampenkap, waar is mijn lampenkap, waar is …

Een variant daarop is om de student niet te laten spreken, maar hem te laten zingen. Je kunt als docent een melodietje maken – ik heb er altijd een paar paraat, maar je kunt de student er zelf ook een laten maken. Wiegen, klappen enzovoort werkt dan soms nog beter.

Je kunt ook een lang-kortafwisseling gebruiken. Vraag studenten om in een woord steeds één lettergreep overdreven aan te houden en de andere zo kort mogelijk uit te spreken. Dat kun je met ze oefenen. Vaak ontdekken ze dan dat er één variant redelijk normaal klinkt.

Wat soms ook helpt zijn oefeningen om bewust met de eigen klemtoonlegging te spelen, bijvoorbeeld door studenten een tijdje met een Frans accent te laten spreken en ze dan te laten bedenken wat ze nou met hun klemtoon hebben gedaan. Of door ze als opdracht te geven om een tekst voor te lezen en in elk woord een onnatuurlijke klemtoon te leggen.

Voor onze doelgroep is het ook zinvol om met minimale klemtoonparen te spelen: eerst een rijtje als het rode boek, het grote huis, het lange haar voor te lezen en dan opeens een samenstelling als het codeboek op te geven. Soms geeft dat een schokeffect, als de student er zich opeens van bewust is dat ie daarbij een ander klemtoonpatroon gebruikt.

Wat theoretische onderbouwing helpt ook. Zo zijn veel mensen zich er aan het begin van hun studie niet van bewust dat je in een woord naast hoofd- ook bijklemtonen hebt, en dat je, als je je op een bepaalde lettergreep focust, de klemtoon daar eenmalig naartoe kunt verplaatsen (‘niet BEtalen, maar VERtalen’). Ze weten ook niet dat er woorden zijn waarin de klemtoon wisselt (‘ALtijd’, ‘alTIJD’). Wie zich daarvan bewust is, begrijpt z’n eigen twijfel beter.

Als er zelfs maar een hele smalle theoretische basis is gelegd, hebben studenten al de mogelijkheid om zelf verkenningen uit te voeren. Voor sommige studenten rijmt handelingen wel op dingen, maar niet op tekeningen. Als ze weten dat een woord een hoofd- en een bijklemtoon heeft en dat ons rijmgevoel daarvan gebruikt maakt, kunnen ze afleiden dat de hoofdklemtoon van handelingen op de eerste lettergreep moet liggen.

Verder is het leren horen van klemtonen een kwestie van geduld en van aanmoediging. Wie het nu niet kan, zal het niet in een paar minuten leren, maar iedereen kan zich troosten met de gedachte dat de vaardigheid bestaat uit het bewust maken van al aanwezige onbewuste intuïties.

Met dank aan Marc van Oostendorp
voor zijn aanvullingen.