De heldhaftige leraar Nederlands van Gerrit Kouwenaar

Door Marita Mathijsen

drs van schaffelaar

Hoewel de stenen marva van de generaal
over zijn schouder meelas, brak hij
de atjeh-oorlog af, stak hij het socialistisch
ochtendblad op, haast in tranen, daags na
het vervalste sprookje van andersen, genaamd
de kristalnacht

de dood was toen nog niet vertaald
de onsterfelijkheid nog gangbaar in deze taal
maar hij vervoegde het werkwoord doodmaken
enige malen, en dat zaaide ongemak verbazing, zelfs
agitatie in de klas, hij was
een gewone leraar, oh hij had
een uitgesproken naam, maar u lezer
kunt volstaan met van schaffelaar

lexicologisch bekeken zoals hij het zelf
gewoon was, was hij zonder meer laf, ja
zeker, maar pas dik 30
denkt men achteraf en van kostbaar vlees
de schaarste al meedragend toen hier zelfs
de bloedworst nog niet op de bon was, men moest
tegen wil en dank lachen
om zijn bolle betrokken wangen als van
een hamster, al lang vóórdat
er uit zijn mythen en sagen een echte
storm opstak

hij was laf, hij ondervond blijkbaar
van bepaalde trefwoorden bij voorbaat de haast
eetbare inhoud en omvang, hij sprong
vier jaar later nadat van dood
en doorslaan nu ook letterlijk sprake
in het huis van bewaring aan de havenstraat
van de 3de ring af

de gemengd gehuwde kalfaktor karl
millimeterend het ontijdig artistenhaar
van k, wees fluisterend met zijn schaar: dáár
kwam van schaffelaar neer, jongen, hij was
zo goed als plat, oh het spatte
tot hier, godzijdank
vandaag geen transport –

Gerrit Kouwenaar (1923-2014)

Gerrit Kouwenaar vertelde pas in 1989, twintig jaar nadat dit gedicht gepubliceerd was, dat hij met drs van Schaffelaar zijn leraar Nederlands en geschiedenis Johan Benders op het Amsterdams Lyceum bedoelde. Over hem zei hij in een interview: ‘Politiek zeer bij de tijd en ook zeer bewogen als er iets gebeurd was. De klas hing aan zijn lippen. Inderdaad kwam hij op de ochtend na de Kristallnacht (9/10 november 1938) de klas in, wapperend met de ochtendeditie van Het Volk, zeer geëmotioneerd. In 1943 heeft hij, nadat hij door de Duitsers was opgepakt, in de gevangenis zelfmoord gepleegd, bang dat hij zou doorslaan. Het toeval wilde dat ik een paar dagen daarna in dezelfde gevangenis terechtkwam.’ De laatste strofe van Kouwenaars gedicht slaat daarop en met ‘k’ die gekortwiekt werd is hijzelf bedoeld. Kouwenaar was opgepakt omdat hij mederedacteur was van het anti-Duitse blad Lichting. Benders zat vast omdat hij ervan verdacht werd betrokken te zijn geweest bij de aanslag op het bevolkingsregister van 27 maart 1943. Ook regelde hij onderduikadressen, vervalste persoonsbewijzen en hij had een joodse onderduikster en twee half joodse pleegkinderen in huis. Het oudste van de twee kinderen en de onderduikster werden samen met hem door de Duitsers meegenomen. Op dat moment had Benders zelf twee dochters en zijn vrouw was zwanger. Hij werd 5 april 1943 opgepakt, de dag daarna gooide hij zichzelf van de bovenste verdieping van het huis van bewaring. Zijn vrouw hoorde pas 17 april van zijn dood. Het pleegkind kwam vrij, de onderduikster wist tijdens een transport te ontsnappen.

fotoJohanBenders

 

Johan Benders 1907-1943

De achtergrond van het gedicht is uitstekend uitgewerkt in een artikel van Gerrold van der Stroom uit 2000.[1] Nu is er een fascinerend boek verschenen van Johan Benders’ postuum geboren dochter Mart met nog meer gegevens over hem, onder de titel Leraar in oorlogstijd.[2] Daarin doet zij verslag van haar speurtocht naar de geschiedenis van haar vader, voor zover zij nog getuigen daarvan kon spreken. Het merkwaardige is dat zij pas vrij laat te horen kreeg wat haar vader betekend heeft. Haar moeder zweeg over hem, en haar zusjes waren te jong toen de vader overleed om veel herinneringen aan hem te hebben. Toen Mart een jaar of negen was, vertelde de onderwijzer over Jan van Schaffelaar en zijn sprong van de Barneveldse toren in 1482 om zijn manschappen te redden. De hele klas was onder de indruk van de dappere Schaffelaar. ‘Nou, jouw vader heeft dat toch ook gedaan’, zei een klasgenootje toen tegen haar. Pas veel later kwam ze achter de toedracht. Ze sprak met iemand die met haar vader op die bewuste 5 april in dezelfde cel van het huis van bewaring aan de Amstelveenseweg gezeten had. Tot tweemaal toe probeerde hij die avond zelfmoord te plegen: eerst sneed hij met een meegesmokkelde paperclip zijn polsen door, maar kwam niet diep genoeg. Daarna zag hij een glazen flesje staan en wilde dat stukslaan om de scherven op te eten. Hij wilde niet levend te pakken genomen worden, had hij gezegd. Zijn celgenoten waarschuwden toch de bewaking, die Benders vervolgens meenamen, die beweerde ‘in einer melancholischen Stimmung’ te zijn.

fotohuisvanbewaringHavenstraatAmstelveenseweg

 

Huis van Bewaring, Amstelveenseweg/Haven-straat Amsterdam

Mart Benders heeft ook het dagboek in handen gekregen dat het jongste van de twee zussen die bij hen in huis woonden bijhield over de aprildagen. Benders was erg nerveus toen hij opgepakt werd, schrijft ze. Zijn studeerkamer en de donkere kamer waarin hij persoonsbewijzen vervalste, werden verzegeld. Op 17 april werd mevrouw Benders twee uur lang verhoord en daarna pas kreeg ze te horen van zijn dood. Nog diezelfde dag werden zijn papieren opgehaald. Weer enige dagen later was er de bevestiging van de zelfmoord: ‘Hij heeft het gedaan om niet te worden gedwongen andere mensen te verraden’, schreef het meisje. Lexicologisch bekeken laf, zoals Kouwenaar schrijft? Dapper zou ik het noemen, extreem dapper. Maar dat bedoelde Kouwenaar waarschijnlijk ook in zijn gedicht met zijn ambigue gebruik van ‘haast’, met de beperking van laf tot ‘lexicologisch’ en de ‘uitgesproken naam’ ([ik] ben-d’r).

Dank zij het voorbeeldige onderzoek van zijn dochter, meer dan 75 jaar nadat haar moeder in De Telegraaf van 4 augustus 1943 de geboorte van haar dochter Martha te kennen gaf, bijna vier maanden na het overlijden van haar man, kunnen we nu nog meer achtergronden van dit magnifieke gedicht over deze moedige man leren kennen.

[1] G.P. van der Stroom, ‘Wie was Gerrit Kouwenaars drs van Schaffelaar?’. In: Voortgang 19 (2000), 211-222. Zie hier: Van der Stroom. Van der Stroom gebruikt een vroege versie van dit gedicht, net als hier afgedrukt. In latere versies heeft Kouwenaar ‘drie jaar’ veranderd in ‘vier jaar’. Gerekend vanaf de Kristalnacht naar de zelfdoding zou er eigenlijk ‘vijf jaar’ moeten staan.

[2] Mart Benders, Leraar in oorlogstijd. Reconstructie van een vader. Z.p: Karakter Uitgevers, 2019. ISBN 978-90-452-1972-1

Dit stuk verscheen eerder op het blog van Marita Mathijsen.

Dit bericht is geplaatst in column, gedicht met de tags , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter