Gedicht: Brief aan Aagje Deken / Antwoord aan Betje Wolff

Brief aan Aagje Deken

29 april 1777

Ach Deken! Deken ach! Mijn waarde Wolff! Mijn man,
In ’t holst des nachts… ‘k zit voor zijn ledikant te lezen;
Hij spreekt met mij, hij sterft, valt in mijn arm! Ik kan
niet schrijven. Hemel! moest ik juist alleenig wezen!

Geen ziekte, zelfs geen koorts! Zoo zegt hij nog: ‘k Ben wel;
Slechts wat vermoeid; dit komt van gistren nog te preeken.
Mijn lief, ‘k wordt wat benaauwd! Hij richt zich op; ‘k ontstel;
‘k Vlieg op. Hij zwijgt; hij geeft één snik, zijne ogen breken;

Zijn hoofd zijgt op mijn borst…. hij ziet mij stervend aan.
‘Mijn lieve waarde Wolff’!…. afgrijselijke oogenblikken!
‘Ach! kent gij mij niet meer? Ik ben het.’ ’t Was gedaan.
Denk, denk eens, mijn vriendin, hoe dit mij heeft doen schrikken.

‘k Ben bijkans levenloos! (Gij kent mijn teeder hart!)
Ach, niemand spreekt mij toe, geen maagschap, geene vrinden!
Ik schrijf, ik klaag ’t aan u. Wat is mijn geest verward!
Ja! dit is ’t doodsgewaad; daarin zult gij hem vinden.

Geheel alleen, wat zal ik doen? Wie geeft mij raad?
‘k Moet van dit sterfgeval noodzakelijk kennis geven:
Ja ‘k moet, maar vinde mij hiertoe gansch buiten staat.
Hoe zal dat gaan? Zie, hoe mijn zwakke vingren beven.

Ik schrijf onleesbaar schrift, Vriendin, wie staat mij bij?
Wie helpt, wie troost mij? Ach! Mijn waardste Deken, gij.


Elisabeth Wolff-Bekker (1738-1804)


Antwoord aan Betje Wolff

Wat ’s dit… Mijn God! uw man… reeds dood… Wat zegt uw brief?
Ik beef… dat’s onverwacht… O wisselloop der dingen!
Hij spreekt, sterft in uw arm… en gij, gij zijt alleen!
‘Geen vrind, geen maagschap!’ Ach, ‘k schrei met u onder ’t lezen!
Wat heeft uw vriendlijk hart door liefde en schrik geleên!
Ik voel al wat gij voelt: ‘k zal morgen bij u wezen.

Agatha Deken (1741-1804)


• Mededeeling en antwoord beide waren zeker hoogst karakteristiek; de schrijfsters teekenden er later bij aan: ‘deze Brieven schreven wij in de schaduw der vriendschap, en wij schreven die in verzen, meer omdat dit ons gemakkelijk viel, dan wel omdat wij verzen wilden maken. Het schijnt, dat, als het hart waarlijk geroerd is door het onderwerp, dat dan ook rijm en maat bij ons ongezocht onder de pen komen.’

Johanna Naber

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.