Aagje Deken stierf aan verdriet

Door Marita Mathijsen

Plaque_Wolff_Deken_TrévouxZo bekend was Betje Wolff dat haar overlijden in de Haarlemsche Courant gemeld werd. Ze stierf op 5 november 1804, 66 jaar oud. Haar vriendin Aagje Deken volgde haar negen dagen later, nog geen 63 jaar oud. Zevenentwintig jaar hadden ze bij elkaar geleefd en lief en leed gedeeld. Ze waren in 1788 samen naar Frankrijk gevlucht voor het geweld van de oranjeklanten. In Trévoux, dat tussen Villefranche en Lyon ligt, vonden ze onderdak. Er is daar op de Place de la Terrasse een tweetalige plaquette ter herinnering aangebracht.

Al die vakantiegangers die op de Route du Soleil een afslag naar Villefranche zien, zullen er niet aan denken dat daar in de buurt meer dan twee eeuwen geleden twee landgenoten hun toevlucht hadden gezocht en vervolgens erachter kwamen dat de beheerder van hun kapitaal failliet was gegaan, zodat zij in armoede vervielen en zelfs een verzoek tot bijstand richtten aan de Franse overheid. Omdat er inmiddels een schrikbewind ingesteld was, kregen ze ook met dagvaardigingen voor het Franse Comité Révolutionnaire te maken. Toen in 1795 in Nederland de Oranjes verdreven waren en de Bataafsche Republiek opgericht, vroeg Betje haar weduwenpensioen op. Maar dat kreeg ze alleen als ze zich weer in Nederland zou vestigen.

Het duurde tot 1797 voor de dames voldoende reisgeld hadden om terug te komen. Inmiddels liepen hun romans niet meer zo goed, dus vertaalden ze zich blauw om enig inkomen te hebben. Betje lag drie jaar ziek voor ze stierf. Ze leed helse pijnen. Aagje schreef enige maanden voor haar dood aan een vriendin:

Zij lijdt bijna zonder tussenpauzes beurtelings aan woedende kramp in de borst en de maag, aan valse braakneigingen, dodelijke benauwdheden, aan een bijna verstikkende hoest als de kramp op de borst zit. Ook heeft zij aanvallen van zwarte melancholie, waarbij zij, zoals zij het uitdrukt, gewaarwordingen heeft alsof zij door een onzichtbaar wezen getergd wordt en inwendig in alle richtingen als het ware met koorden uiteen getrokken wordt. Dan schreit zij uren achter elkaar werktuiglijk. Daarna schijnt het weer alsof alle krachten verdwijnen en alle veerkracht verslapt, het hoofd zakt weg, de knieën buigen, men voelt geen pols. Al die toevallen komen zo geheel onverwacht dat wij in het ene kwartier nooit zeker kunnen zijn van wat het volgende brengt, en zij is geheel en al het slachtoffer van de allerminste, voor ons bijna onwaarneembare verandering in de dampkring.

Na Betjes dood schreef Aagje dat ze blij was dat haar hartsvriendin was verlost uit haar ellendig lichaam, maar ze schreide ook ‘bloedige tranen’ om de verloren vriendschap. Ze ging nog naar de notaris om een nieuw testament op te maken, waarbij ze de schamele erfenis overmaakte aan Betjes nicht. Daarna kon Aagje niets meer uitbrengen dat nog verstaanbaar was. Zij stierf aan ‘zinkingskoorts’. In het begin van het verhaal van de Familie Kegge, uit de Camera Obscura, beschrijft Nicolaas Beets wat de verschijnselen van die koorts zijn:

Wie kent niet die ontzettende ziekte, die men in het dagelijks leven met de gevreesde naam van zenuwzinkingskoorts gewoon is te bestempelen? Wie heeft onder haar geweld geen dierbaren zien bezwijken? Wie heeft haar nimmer bijgewoond, die verschrikkelijke worsteling der zenuwen en vaten, waar deze zich onderling het gezag betwisten, totdat de lijder – meestal helaas! – onder die kampstrijd bezwijken moet. Voor mij rijst menige angstige herinnering aan haar verschijnselen op. Ik zie nog die lijders, met die gebroken ogen, die zwarte lippen, die droge lederachtige handen, die vingers in altoosdurende beweging. Zij staan mij voor de geest, zoals zij nu eens in een dof en mompelend ijlen als verdiept waren en in stilte bezig met hun vizioenen, en dan met een kracht, die niemand hun meer zou hebben toegeschreven, zich in hun bed ophieven, om daarna weer ineen te krimpen als in dierlijke angst. Zij staan mij voor de geest, ook in hun noodlottig stilliggen, in die treurig heldere tussenpozen, die de dood voorbeduiden.

Aagje volgde haar vriendin in hetzelfde graf, dat vanwege de vorst nog open lag. Iedereen was ervan overtuigd dat het verdriet haar de dood gebracht had.

Ze werden stijlvol herdacht. Er werd voor hen een erepenning geslagen en de Bataafsche Maatschappij organiseerde een herdenkingsavond met een speciale lierzang en een lofrede, die beide gedrukt werden. De trouw van de twee vriendinnen, die in leven en dood elkaar niet konden missen, blijft aandoenlijk tot in het heden.

Dit stuk verscheen eerder op het eigen blog van Marita Mathijsen