Wij hebben iets meer noodig dan romantiek, cursiefletters, verdichtselen en holle klanken

De Multatulileesclub (29)

Door Marc van Oostendorp

– Die Maartje Janse, van wie we vandaag dat artikel lazen over Multatuli en de Maatschappij tot Nut van den Javaan, kennen jullie die?

– Zeker!

– Jij had toch ook een filmpje met haar gemaakt?

– Ja, dat ging zelfs over dit onderzoek.

– Maar wat ik zeggen wilde, wat schrijft die Janse briljant!

– Ja, dat je een geleerd artikel zo begint:

Op 5 oktober 1869 ontstak Eduard Douwes Dekker in grote woede bij het lezen van zijn post. Iemand had iets geschreven waardoor hij zich miskend voelde. Hevig verongelijkt zette hij zich aan zijn schrijftafel en diende de onbeschaamde stevig van repliek. Hij zou in de komende jaren wrok blijven koesteren en in woord en geschrift regelmatig terugkomen op deze episode. Kortom: het was een dag als alle andere.

– Het is niet alleen prettig opgeschreven, het is inhoudelijk ook nog eens scherp. Ze zet niet alleen de twee protagonisten, Douwes Dekker en Willem Bosch lekker scherp neer, met hun goede kanten, maar ook hun feilen,  ze geeft ook nog de eminente Cees Fasseur, halfgod van geschiedkundig Leiden, waar ze zelf werkt, een klein tikje als ze laat zien hoe kritiekloos hij gewoon maar geloofde wat Multatuli over dit conflict had geschreven.

– Sorry, ik was deze week even met iets anders bezig. Wat was dat voor conflict?

– Bosch had een Maatschappij tot Nut van den Javaan opgericht, om de Javanen te helpen. Prachtig zou je denken. Maar die Maatschappij had de euvele moed gehad om een brochure waarin werd gevraagd om geld bij Douwes Dekker in de bus te doen!

– Geld vragen! Aan Multatuli!

– Ja, precies. Dat was dus die post waardoor Multatuli zich miskend voelde – volgens Janse is dat een grote drijfveer in zijn oeuvre, zich voortdurend miskend voelen – dus hij schreef meteen een korte brochure met onder andere de mededeling:

Het kon u toch, naar ik meen te mogen veronderstellen, bekend zyn, dat ik aan ’t welzyn der inlandsche bevolking van Nederlandsch-Indië heb ten-offer gebracht wat ’n mensch offeren kan. Ik meen ’t dus zonderling te mogen vinden, aangesproken te worden om hulp, namens de door U vertegenwoordigde Maatschappy, die naar m’n innige overtuiging, door de oogen des volks afteleiden van de ware oorzaken der kwaal, het hare bydraagt om die kwaal te bestendigen en ongeneeslyk te maken.

– Het blijkt in de pen van Janse een heel interessante kwestie te zijn. Bosch en Douwes Dekker leken in sommige opzichten op elkaar…

– … ze hadden beiden een messias-complex…

– … ze konden allebei niet tegen kritiek omdat ze vonden dat het voor iedereen meteen duidelijk moest zijn dat zij altijd aan de goede kant stonden.

– Tegelijkertijd was Bosch veel praktischer. Die richtte dus die Maatschappij op om echt iets te betekenen voor die Javanen, terwijl Multatuli’s handelen er toch vooral eruit bestond dat hij woedende stukken schreef.

– Janse citeert een mooi stuk van een zekere Van Lier:

Dat streven is schoon en edel, maar dat doel wordt niet bereikt door declamatie en louter overdrijving. (…) Tot dusverre heeft de heer E. Douwes Dekker twee boeken (en later meer) geschreven op hetzelfde thema, n.l. om de natie wakker te schudden. Welnu, gesteld, dat het volk ontwaakt zij, dan hebben wij iets meer noodig dan romantiek, cursiefletters, verdichtselen en holle klanken, en dan moeten wij weten wat er behoort gedaan te worden.

– Toch is het wonderlijk dat zo’n man als Bosch dan uiteindelijk vrijwel uit de geschiedenisboekjes verdwijnt terwijl Multatuli voort blijft leven.

– Zou het er niet om gaan dat we mensen ons herinneren die nu nog iets betekenen, omdat ze als voorbeeld kunnen dienen of omdat we hun werk simpelweg nu nog kunnen waarderen? Wat Bosch deed was in zijn tijd natuurlijk nuttig, maar we hebben er nu niks meer aan. Ja, als die Maatschappij nu Java had losgemaakt van Nederland, dan had het implicaties gehad voor de rest van de geschiedenis. Maar je kunt in Nederland anno 2019 best verder met je leven zonder ooit van Bosch gehoord te hebben.

– Je kunt toch ook zonder Multatuli verder?

– Nee, dat is toch wat anders. Door Multatuli te lezen kun je nu ook je leven nog verrijken.

– Toch had ook Multatuli niet helemaal ongelijk met zijn kritiek op die Maatschappij. Het sociale werd meteen ook een doel op zichzelf. Hij stond voor zijn principes, en was bereid daar armoede voor te lijden, maar de leden van die club profiteerden zelfs van hun eigen edelmoedigheid:

Het is tegenwoordig recht fatsoenlyk lid van die Maatschappy te wezen. Het poseert ’n mens. Zo’n ding is bijna zo bruikbaar als een congres (…) om zich ook eens op de voorgrond te stellen. De waardigheid van voorzitter of secretaris ener stedelyke afdeling kan men zo ongeveer gelyk stellen met die van ouderling of diaken, en klinkt veel moderner. Of er crediet aan verbonden is by koolpui weet ik niet, maar by de kiezers zeker. Dat lidmaatschap heeft voorts de goede hoedanigheid dat men er mee terecht kan intra et extra, binnen en buiten de grenzen van een kamp. ‘Werda, parool?’ roept de schildwacht en op een luid: ‘vriend, evangelisatie!’ wordt men doorgelaten. ‘Werda, parool?’ roept de wacht en ‘vriend, vry-arbeid!’ wordt er geantwoord met gelyk succes. Kortom, ’t is een kostelyke zaak.

– Ja, er zaten twee kanten aan dit conflict, dat maakt het precies zo boeiend. Voor zowel Multatuli als voor Bosch valt nog wel wat te zeggen.

– Het is natuurlijk een vraag die je je nog steeds kunt stellen: kun je beter als eenling opereren voor de goede zaak? Of moet je je daarvoor altijd compromitteren aan net wat smoezeliger samenwerkingsverbanden?

– En wat lezen we na deze stichtelijke woorden – dankjewel, ouderling! – volgende week?

– Het lijkt me nu wel weer tijd worden om de meester zelf te lezen. Volgens mij zijn we in 1870 gebleven  – deel 14 van de Volledige Werken dan maar?