Seksistisch over woordgeslacht in 1919?

Taalkunde van 1919

In een onregelmatig verschijnende reeks zal ik af en toe taalkundige publicaties van 100 jaar geleden bespreken.

Door Marc van Oostendorp

Er wordt niet veel meer verwezen naar het fascinerende artikel ‘Woordgeslacht als eenheidsgraad’ over woordgeslacht dat Ph.J. Simons 100 jaar geleden publiceerde in De Nieuwe Taalgids. De ANS noemt het wel als een bron, maar in haar gezaghebbende studie naar woordgeslacht uit 2009 verwijst Jenny Audring er bijvoorbeeld niet naar. Toch lijkt het mij een must voor iedere taalliefhebber.

Simons die, blijkens zijn lijst publicaties op de DBNL, veel over woordgeslacht nadacht, observeert dat het voornaamwoord ze zowel voor een groep kan verwijzen (‘ze komen eraan’) als naar een vrouw (‘ze staat daar’). Is dat toeval? Volgens Simons niet. Hij denkt dat het geslacht de drie voornaamwoorden hij, zij en het in het Nederlands gekarakteriseerd worden door ‘eenheidsgraad’.

Mannelijke woorden zijn van de hoogste eenheidsgraad. Wanneer je naar iets wilt verwijzen dat je een duidelijk afgebakend geheel is kun je in de spreektaal van 1919 volgens Simons dan ook met ie verwijzen, ook al is het woord waarnaar je verwijst ‘officieel’ onzijdig:

Toen (…) in de winkel van Couvée iemand vroeg: Heeft u voor me één van de blaue Bücher over Griechische Bilder, toen hoorde ik de bediende antwoorden: Ik geloof wel dat ik ‘m heb; misschien ligt ie in de etalage. En dezer dagen hoorde ik van een docent aan de Volksuniversiteit: Als een lichaam zich op aarde bevindt, dan is de kracht die ‘m er af gedrukt wil houden, kleiner dan de dracht enz.

Vrouwelijke woorden hebben een lagere eenheidsgraad. Vandaar dat je zowel naar biologische vrouwen als naar groepen individuen. Simons heeft het daarbij vrij exclusief over ze en zij, maar precies uit het werk van Audring kennen we een observatie die hier naadloos bij aansluit: naar collectieven wordt soms verwezen met haar: het bestuur komt terug op haar besluit, Nederland en haar inwoners.

Is dit seksisme? Als Ph.J. Simons er allerlei vooroordelen over mannen en vrouwen op nahield, heeft hij dit artikel niet misbruikt om daar uiting aan te geven. Je zou eerder kunnen zeggen dat hij (ik weet niets van Simons, ik ga ervan uit dat hij een man was) mogelijk een verborgen seksisme in de taal heeft opgediept.

Onzijdige voornaamwoorden hebben overigens naar zijn idee de laagste ‘eenheidsgraad’. Naar heterogene verzamelingen kun je verwijzen met het:

Van ’n stapel ijzer op de markt bestaande uit ’n hamer, ’n nijptang, ’n schroef, ’n pook, ’n tang enz. enz. zegt men ‘Je begrijpt niet waar het allemaal vandaan komt.’ Zeker, van ’n stapel van enkel gelijksoortige hamers kan men dat ook zeggen (i.p.v. Je begrijpt niet waar ze allemaal vandaan k.); maar ’n statistiek (als die te geven was) zou uitmaken, dat de kans op het het-gebruik toeneemt, naarmate de aangeduide veelheid heterogener is. Wat is er bv. heterogener dan een brand, een tentoonstelling of een etalage waarvan men zegt ‘Ik heb het ook gezien’ of ‘Het is pas half klaar’! Zie eens dat komplex van ongelijksoortigheden die samen ‘een brand’ vormen: vlammen, rookmassa’s, brandende balken, vonkende daken, vurige openingen en dikwels nog tegelijk hetgeen er rondom staat te blussen, te redden, te kijken, te schreeuwen, te gichelen? dat alles, ‘te veel om op te noemen’, heel het tafereel, heel de vertoning wordt tot een enkel ‘het’ in de vnw. aanduiding.

Ik geef een lang citaat om Simons’ levendige en leesbare stijl te illustreren. Je zou inmiddels natuurlijk de door hem verlangde ‘statistiek’ wel degelijk kunnen gaan beproeven (je hebt dan waarschijnlijk kunstmatige intelligentie nodig om automatisch de ‘heterogeniteit’ van een groep te toetsen).

Het is alles bij elkaar een niet heel nauwkeurig uitgewerkte maar wel elegante theorie waar zoals gezegd veel van Audrings veel recentere observaties en analyses ook in lijken te passen. Simons is wat ambitieuzer met zijn volstrekt originele theorie over eenheidsgraad. Het is niet duidelijk of die theorie ook op andere talen zou kunnen worden toegepast, maar er zijn mij dan ook geen talen bekend die precies het soort patronen kennen die Simons indertijd beschreef.