In memoriam Wil Sterenborg (1923-2019)

Door Marc van Oostendorp

Deze week overleed op 95-jarige leeftijd een ridder van het correcte Nederlands, de leeuw van het Tilburgs: Wil Sterenborg. Zijn naam zal niet heel veel mensen buiten Tilburg wat zeggen. Maar wie het nooit met hem aan de stok heeft gehad, heeft de afgelopen decennia waarschijnlijk nooit iets in het openbaar gezegd over taal.

Sterenborg was volgens het bericht dat het Brabants Dagblad aan hem wijdde, achtereenvolgens ‘conciërge, leraar Nederlands en conrector’ van het St. Odulphuslyceum in Tilburg. Het verhaal daarachter staat niet in de krant: Sterenborg had omdat hij ‘te kritisch’ was zelf nooit de middelbare school (een kleinseminarie) afgemaakt. Hij werd conciërge omdat hij van bijlesleerlingen hoorde dat dit baantje vrij was. Hij werd leraar omdat dit baantje vrij kwam en hij in zijn vrije tijd een MO-akte haalde. En zo groeide hij uiteindelijk ook in de conrectorsbaan.

Nadat hij op zijn zestigste pensioneerde, wierp hij zich vol overgave op het Tilburgs dialect, waarvoor hij de standaardspelling ontwierp; er zijn weinig of geen steden in Nederland die een zo algemeen geaccepteerde standaardspelling hebben als Tilburg). Het Woordenboek van de Tilburgse Taal, waaraan Sterenborg cruciale bijdragen leverde, staat sinds een aantal jaar online,

Hij raakte gaandeweg ook betrokken bij het Genootschap Onze Taal. De toenmalige directeur Peter Smulders was zo slim om hem binnen te halen. Sterenborg stuurde voortdurend brieven met correcties op artikelen in het tijdschrift van het genootschap en Smulders, zelf een Tilburger, wist hem ertoe te bewegen die correcties voortaan al in de kopij aan te brengen. Dat heeft hij jarenlang gedaan, zoals hij ook geruime tijd samen met Smulders de tekst van de Troonrede corrigeerde.

Ik heb het verschillende malen met Sterenborg te maken gehad; ik memoreer dat niet omdat ik denk dat dit nu zo belangrijk was in zijn leven, maar als voorbeeld van zijn persoonlijkheid. Eén hoofdstuk van mijn proefschrift gaat over de klinkers van het Tilburgs en bouwt dus voort op Sterenborgs werk. Hij was aanwezig bij de promotie en stuurde me na afloop een vriendelijk briefje dat bestond uit een lange opsomming van allerlei fouten die hij in mijn transcripties ontdekt meende te hebben.
Een paar jaar later ging ik bij Onze Taal werken. Een van mijn eerste taken was een kadertekst te schrijven over de harde en de zachte g. Nu zijn die termen dubbelzinnig. Ze kunnen verwijzen naar de plaats in de mond waar je die klanken maakt (voorin: zacht, achterin: hard) en in dat geval hebben zuiderlingen een zachte g en mensen uit noordelijker streken een harde. Of ze kunnen ook verwijzen naar het verschil tussen stemloze ch en stemloze g. In dat geval hebben zuiderlingen allebei de klanken, en noorderlingen meestal alleen de harde.
Ik ging in mijn tekst uit van de eerste definitie – ik denk nog steeds dat dit de meest gangbare is – en daarop schoof de redactie me een lange brief van Sterenborg voor die de kopij had gelezen en zich beklaagde dat de zuiderlingen weer eens ‘door het slijk werden gehaald’.

Ik denk dat Sterenborg ook heel veel van wat ik in de decennia erna heb geschreven met hoofdschudden moet hebben bezien, zoals hij het met veel schrijvers niet eens zal zijn geweest. Omgekeerd heb ik hem altijd bewonderd: iemand die zoveel overhad voor de taal.

Een iets andere versie van het verhaal van Sterenborgs carrière staat op de website van het Tilburgs Woordenboek.