Het aantal voornamen bij de adel

Door Gerrit Bloothooft

Het is toch een opvallend feit, dat het geven van meer voornamen het meest voorkomt in de groote steden en wel in de meer gegoede kringen. Ten plattenlande, sommige streken daargelaten, werd tot dusverre meestal slechts één voornaam aan de kinderen toegekend.’ Dit is een zinsnede uit de Memorie van Toelichting bij een wetsvoorstel voor de introductie van een voornamenbelasting in 1915 – een wet die er overigens nooit is gekomen. Of de adel zich nog steeds onderscheidt in het aantal voornamen dat gegeven wordt, is te zien in tabel 1, waarin een vergelijking wordt gemaakt met de provincies die hierin onderling het meest verschillen: Friesland en Limburg.  


Tabel 1. Percentage per aantal voornamen voor de adel, en in de provincies Friesland en Limburg, volgens gegevens uit de basisregistratie personen. Er is nergens een groot verschil tussen mannen en vrouwen in percentage.

Een enkele voornaam is, in tegenstelling tot de rest van de bevolking,  inderdaad niet gebruikelijk bij de adel. Twee- en drienamigheid domineert, en daarin is geen verandering te zien in de laatste eeuw, wat geldt zowel voor mannen als vrouwen. Friesland, dat van oudsher eennamig is, heeft inmiddels evenveel tweenamigen, maar meer dan drie voornamen dragen is daar uitzonderlijk. In het katholieke Limburg ontwikkelde zich al sinds de 18e eeuw een brede voorkeur voor meerdere voornamen, wat inmiddels resulteert in een dominantie van een- en drienamigen. Het grootste aantal voornamen bij de adel is negen. Die zijn van prins Bernhard Leopold Frederik Everhard Julius Coert Karel Godfried Pieter van Lippe-Biesterfeld.

Als de adel doorgaans meerdere voornamen draagt kan bekeken worden of de volgnamen van de eerste naam verschillen. In tabel 2 staat de top-20 van zowel voor als na 1970. Om te laten zien welke voornamen vooral als volgnaam worden gekozen zijn namen vetgedrukt die niet in de top-30 van eerste voornamen staan.


Tabel 2. Top-20 van volgnamen van de adel. Vetgedrukt zijn namen die niet in de top-30 van eerste voornamen staan.

Voor 1970 stemmen de volgnamen grotendeels overeen met de eerste voornamen. Dat duidt erop dat ook in de volgnamen naar familie vernoemd wordt, behalve dan voor Marie en Maria bij de mannen. Dat laatste is, net zoals voor de rest van de bevolking, voor mannen een uiting van Maria-verering die vooral in de eerste helft van de 20ste eeuw wijdverspreid was onder katholieken, maar bij de adel ook nog na 1970 zichtbaar is. Daarnaast worden Theodora, Joseph en Josephine, Christiaan en Christina veel meer in de volgnaam gegeven.

Na 1970 verandert het patroon enigszins. Alhoewel minder dan door de rest van de bevolking wordt vernoeming van voorouders in de eerste voornaam ook door de adel verlaten en verschoven naar de volgnaam. In de top-20 van de volgnamen zien we naast nog steeds Marie en Maria, bij mannen de traditionele voornamen Cornelis, Lodewijk, Eduard en Nicolaas, en bij de vrouwen Henriëtte, Wilhelmina, Elizabeth, Willemijn, Pauline, Alexandra en Marguerite. Deze traditionele namen zijn in de eerste voornaam door modenamen verdrongen.

Alhoewel veel trager dan de rest van de bevolking vernieuwt ook de adel in de naamgeving. Voorlopig toch vooral in de eerste voornaam, in de volgnamen blijven de klassieke namen doorklinken met daarbij, hoewel afnemend en indien van toepassing, het zichtbaar maken van een katholieke achtergrond.

Dit bericht is geplaatst in column, Naamkunde met de tags , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter