Geene meening is zoo ongerijmd, dat ze niet hare aanhangers heeft

De Multatulileescursus (30)

Door Marc van Oostendorp

– Dat 1870 was wel een wonderlijk jaar!

– Ja, de Frans-Duitse oorlog!

– Nee, ik bedoel in het leven van Multatuli. Vreemd genoeg schrijft hij in zijn brieven zelfs nooit over die oorlog.

– En dan vind jij het desbetreffende jaar wonderlijk?

– Dat bedoelde ik niet. Ik had er eerlijk gezegd niet eens bij stil gestaan dat die oorlog ontbrak.

– Hoewel Multatuli in zijn brochure over Pruisen en Nederland die oorlog wel had aangekondigd.

– Ja, maar hij was in deze jaren duidelijk met heel andere dingen bezig. Aan de ene kant barstten zijn creatieve aderen weer open Hij begon aan allerlei boeken tegelijkertijd: het derde deel van de Ideeën, de Miljoenen-Studiën, Nog eens: vrye arbeid in Nederlandsch Indië en Specialiteiten.

– Ja, hij had zich voorgenomen dat hij dan maar van de pen moest leven en dat maakte kennelijk van alles los.

Ik werk! Ik werk!! En met ’n pleizier, en een gang dat het verbazend is. Het geld zal stroomen.

– Hij was vijftig toen hij dit schreef, maar hij bleef naïef. “Het geld zal stromen!”

– Ja, want binnen de kortste keren wachten hem bittere teleurstellingen. Het Dagblad van het Noorden vindt de Miljoenen-Studiën, die hij er als feuilleton schrijft te ‘onbegrijpelijk voor de lezers’, ook andere pogingen in kranten te komen mislukken en de uitgever van de Ideeën komt niet over de brug met betalingen voor het derde deel.

– Die argumentatie van het Noorden beschouwt hij trouwens als een smoesje, hij denkt dat ze meer ruimte voor ‘oorlogsberichten’ willen in de krant. De Frans-Duitse oorlog hoor je dus wel degelijk op de achtergrond meedreunen.

– Maar Douwes Dekker houdt het kennelijk bewust buiten zijn werk.

– Het was zijn thema niet. Nederland was zijn thema.

– Hoe dan ook, met die tegenslagen begint de ándere kant van 1870 voor Multatuli: die van hernieuwde armoe…

– … en mensen die comités oprichten om hem te helpen…

– … en woede van Multatuli over die mensen, omdat hij niet geholpen wil worden, of niet op die manier, of omdat hij meer geld wil krijgen dan zij bij elkaar kunnen scharrelen.

– Ik vind het toch wel eigenaardig dat de redacteur van de Volledige Werken, Stuiveling, zo duidelijk partij kiest voor Multatuli:

Maar zelfs als men vindt dat Multatuli zich te snel gekwetst en ten onrechte bedrogen heeft gevoeld, blijft het uitermate beschamend hem behandeld te zien op het niveau van de publieke liefdadigheid. En het feit dat een vijftal ‘goedwillende prominente Nederlanders in alle argeloosheid hebben gemeend dit te mogen doen, maakt het bepaald niet beter.

– Misschien was het ‘beschamend’, maar het is volkomen onduidelijk hoe het dan wél goed gedaan had kunnen worden. Zou Stuiveling als hij in de tijd van Multatuli had geleefd niet in zo’n comité plaats hebben genomen? Wat zou hij hebben gedaan.

– Het heeft de weg geopend voor een Hollandse traditie (Willem Frederik Hermans, Jeroen Brouwers) van schrijvers die op een volkomen onredelijke manier reageren als hun geld wordt aangeboden en ze vinden dat dit te weinig is.

– Mij interesseerde eigenlijk in dit geval ook wel de psychologie van mensen als Van Gennep: een advocaat uit Batavia die in Nederland verblijft en die vindt dat er hoognodig iets voor Multatuli moet gebeuren. Ook als Multatuli alles doet om die Van Gennep van zich te vervreemden.

– Ja, interessante man was dat. In zijn oorspronkelijke oproep drukt hij zich heel pathetisch uit, en geeft een karikatuur van de stijl van Douwes Dekker:

[I]k constateer slechts den geest; en die geest, welke nog dagelijks veld wint, gaat reeds dagelijks voort nieuwe vruchten af te werpen. En hij, de man, die dien geest heeft wakker geschud, wiens persoonlijkheid dus in zoovele opzichten de onze is geworden? Goud, eer en aanzien vallen den veldheer toe, die het meest heeft uitgemunt in het slachten zijner nevenmenschen. Maar hij, die veldheer der gedachte, die toenadering en liefde heeft gekweekt tusschen millioenen? Die man, medeburgers! is arm, maar arm als Job op den mesthoop.

Maar uiteindelijk aarzelt hij niet om de grote man tegen te spreken. Zelfs al blijft hij hem steunen:

Wie altijd en tegen alles uitvaart verliest zijnen kracht en brengt slechts eenen onaangename indruk te weeg, waartegen het beter ik strijdt. Modderen en schipperen is dus in den aard der gezellige moerasbewoners wat echter het genie niet belet zijne adelaarsvleugelen boven de hoogste bergen uit te slaan. Van daar echter op die moerasbewoners te schimpen, omdat het zich eenig en verlaten gevoelt, is eene miskenning der natuurwet, waaraan zij evenzeer als hij zijn onderworpen. Zoodra zij volgens de Darwinsche theorie ook adelaartjes zijn geworden zullen zij zich insgelijks verheffen.

– Ondertussen wordt Multatuli woedend omdat de commissie doet wat hij wil. De heren wilden hem eigenlijk een toelage geven, maar als ze dan in de Ideeën lezen dat hij het beter vindt als kunstenaars op eigen benen staan, besluiten ze dat maar niet te doen. Maar dat is natuurlijk niet de bedoeling! Multatuli’s vriendin Mimi herinnert zich later:

De indruk die dit schryven op Dek maakte was zeer pynlyk. Het eerste wat de Commissie van zich deed hooren was de betuiging dat ze Multatuli’s meening deelde, dat een kunstenaar zich zelf moet helpen. Dit gevoelen had hy geuit in het zesde vel van den iii Bundel Ideën, en dat vel was toen nog niet verschenen!

Bovendien was het een stuitend thema dat Dek aan fl. 20 of 25 ’s weeks wel genoeg zou hebben. Wat de allereerste levensbehoeften aangaat kan een zoo matig mensch als hy was zeer zeker van zulk een sommetje leven. Maar er waren ook andere eischen, daargelaten nog het pynlyke voor hem, zich verwezen te zien naar de lagere sporten van de maatschappelyke ladder en dat door vrienden, door menschen die blykens hun optreden vóór hem, bewys hadden gegeven van sympathie, en die hem nader schenen te staan dan anderen.

– Ja, als vrienden lazen dat hij vond dat hij niet geholpen moest worden met geld, moesten ze dat natuurlijk begrijpen als een oproep hem grote geldbedragen toe te stoppen.

– Maar, nogmaals: wat bewoog zo’n Van Gennep? Je kunt je toch niet voorstellen dat als nu een willekeurige advocaat ter ore zou komen dat pakweg Désanne van Brederode van een kleine bijstandsuitkering moest leven…

– Hè? Moet Désanne van Brederode van een bijstandsuitkering leven?

– Nee, dat is maar een voorbeeld. Ik weet niets van haar, behalve dat zij zich inzet voor Syrische vluchtelingen en in die zin probeert op Multatuliaanse wijze de ogen van de Nederlandse samenleving te openen. Maar stel nu dat zij wél van zo’n uitkering moest leven. Dan geloof ik niet dat er iemand zou opstaan om geld voor haar in te gaan zamelen. En al helemaal niet als zij zou zeggen dat het wel een vorstelijk salaris moest zijn.

– Ja, uit alles blijkt wel dat mensen zich toen meer betrokken voelden bij het lot van een schrijver. Men vond echt dat ‘het volk van Nederland’ ‘den grooten Multatuli’ iets verschuldigd was, en dat lijkt me een sentiment dat nu toch niet meer voorkomt.

– Nee, ik geloof dat ook niet. Er zijn mensen die van Désanne van Brederodes werk genieten…

– ik hoor daarbij…

– …maar er zijn geloof ik geen mensen die vinden dat Nederland haar iets verschuldigd is.

– De vraag is wel: ligt dat nu aan deze tijd, of ligt dat aan Multatuli? Bij mijn weten werden er ook in zijn tijd geen commissies voor allerlei andere schrijvers ingericht. Hij was misschien wel een man die over zich afriep dat anderen zich financieel over hem wilden ontfermen.

– Ondertussen schreef de meester zelf in dat jaar ook wel een paar mooie brieven. Niet heel veel, maar toch genoeg voor een mensenleven. Zoals deze, over de bereidheid van mensen om onzin te geloven:

Geene meening is zoo ongerijmd, dat ze niet hare aanhangers heeft, en geene dwaling is zoo zot, dat zij niet nu en dan door zoogenaamde wijsgeeren in bescherming genomen is, vooral door hen die de wijsbegeerte – eene roeping van alle menschen – tot een beroep van enkelen hebben gemaakt.

In den tijd toen allen nog aan alle spoken geloofden, vond men geleerden, die over den aard en de werkking dier spoken lange verhandelingen schreven, en nog heden ten dage bestaat een groot gedeelte onzer litteratuur, uit nasporing der eigenschappen van dingen die er niet zijn.

In ’t algemeen is ’t volk gretig naar verklaring van ’t onware. Niemand zou de moeite nemen te luisteren naar een betoog dat 2 × 2 = 4 is, maar de verkondiger van de onwaarheid dat 2 × 2 meer of minder is dan vier, zal ten allen tijde op een talrijk auditorium kunnen rekenen, als hij slechts zorg drage zijne baroque stelling eenigszins te ontwikkelen met geleerd-schijnende frazen.

– Ja, bij dat laatste denk je toch onwillekeurig aan zekere politici die allerlei antiwetenschappelijke onzin beweren en daarmee aanhang verwerven omdat ze af en toe een Latijns woord gebruiken en in een onbewaakt ogenblik een doctorstitel hebben opgespeld gekregen. Beweren dat er geen klimaatprobleem is, of dat er ooit een tijd is geweest dat er in Nederland niet door vreemdelingen werd overspoeld, is nu eenmaal interessanter dan de waarheid zeggen.

– Oké, om de een of andere reden sluipt vandaag de politiek onze discussies binnen. Wat gaan we nu lezen?

– Ik stel voor: de derde bundel van de Ideeën!

– Ah, mooi!