Geen punt.

Door Lauren Fonteyn

Het overkomt u steeds vaker: de jongelui doen iets, en u wordt daar heel erg boos van. “Verdomde millennials”, gromt u, zonder precies te weten of u zelf misschien ook nog net een millennial bent. En groot gelijk heeft u, zeg ik, zonder precies te weten waar u boos om bent. Mijn enige goede voornemen dit jaar was dat ik mijn vakkennis wat meer zou gebruiken om mensen te helpen, en ik wil ook u helpen met boos zijn op jongelui.

De jonge mensen van tegenwoordig liggen van heel wat dingen wakker. Er zijn dus best veel manieren om hen tegen hun spreekwoordelijke schenen te stampen omdat ze op uw spreekwoordelijk lange tenen hebben getrapt. U kan bijvoorbeeld met uw kapitaal de overspannen huizenmarkt opgaan en 30 procent boven de vraagprijs bieden. Maar in 2015 werd het voor veel mensen duidelijk dat het ook veel simpeler kan: u kan ze ook al van hun slaap beroven met een appje. Een appje dat afgesloten wordt met een punt.

Hmmm?

Dat app’jes die afgesloten worden met een punt jongere mensen de stuipen op het lijf jagen is natuurlijk niet zomaar zo. De belangrijkste functie van leestekens is namelijk om te helpen bij de interpretatie van geschreven tekst. Ze helpen om de juiste boodschap over te brengen (vergelijk, bijvoorbeeld, Ik hou van je, moeder Met Ik hou van je moeder), maar ook om de juiste emotie of intonatie met je boodschap te verbinden. Dat merk je bijvoorbeeld aan het verschil tussen hmmm!, hmmm… en hmmm?: als antwoord op de vraag ‘zullen we vandaag samen naar het strand gaan?’ is het eerste een enthousiaste ja (‘hmmm lekker, doen we!’), het tweede een misschien (‘hmmm… moet ik even over nadenken) en het derde eerder een zachte nee (‘hmmm? Waar heb je het over? Waarom vraag je me dit? Wie ben jij en hoe kom je aan mijn nummer?’). Leestekens zijn dus heel erg belangrijk in geschreven conversaties, en daar hebben we er steeds meer van.

Het probleem is dat de mogelijkheden met de leestekens die we hebben wat te beperkt zijn voor de vele emoties die we hebben. Met hmmm!, hmmm… en hmmm? kunnen we onze respectievelijke blijdschap, twijfel, en totale staat van verwarring uitdrukken, maar er lijkt niet meteen een optie te zijn om van hmmm dat passief-agressieve neusgeluid te maken dat zegt ‘het strand is echt een van de rotste plekken op de planeet en ik heb gewoon nergens zin in vandaag dus laat me toch gewoon met rust met je strand’. Omdat wél te kunnen uitdrukken, kan je een nieuw leesteken uitvinden, of – en dat is misschien veel gemakkelijker – je neemt een bestaand maar ietwat overbodig leesteken en doet er wat nieuws mee.

Het leven is een strijd

No shit Sherlock

De overbodigheid van de punt zit hem in het feit dat je ook gewoon wel ziet dat het appje klaar is als er verder niets meer volgt in het tekstwolkje. Je hebt die punt daar net zomin nodig als een heel groot bord met EINDE VOETPAD aan – u raadt het – het overduidelijke einde van een voetpad.

Het is nu 2019 en we zeggen dat niet echt meer, maar: no shit Sherlock.

U kan dus van afsluitende punten zeggen dat hun afwezigheid niet echt een probleem veroorzaakt voor geslaagde communicatie. En ze zijn niet alleen niet echt nodig, ze kosten ook moeite en tijd, want ik moet verdorie ook nog eens met mijn vinger een extra toets aanraken en ik heb het nu al zo druk. U zegt: “meid, dat duurt één seconde”. Inderdaad! Als ik één seconde langer moet wachten op “Gefeliciteerd, u heeft een miljoen euro gewonnen.”, geef me dan maar de versie zonder punt.

U zoekt er altijd meer achter

Dat wel meer dingen in het leven overbodig zijn die toch hardnekkig blijven bestaan, dat denk ik ook elke ochtend als ik met wenkbrauwpotlood mijn van nature best wel donkere wenkbrauwen sta in te kleuren. Maar ik stel me daar geen vragen bij. Met talige (en gerelateerde) dingen, daarentegen, stellen we ons wel sneller vragen bij schijnbare overbodigheid. Op een grijze namiddag liep ik een keer door Londen met een vriend (en twee netjes ingekleurde wenkbrauwen), en daar kwamen we voorbij een huis met een bordje op de voordeur, waarop stond:

            THIS IS NOT A BROTHEL THERE ARE NO PROSTITUTES AT THIS ADDRESS

Dat leek inderdaad te kloppen en ik heb ook helemaal geen problemen met huizen die geen bordeel zijn. Maar, net zoals bij vele andere huizen – ik zou zelfs durven zeggen: de meeste andere huizen – vroeg ik me ook bij dit huis in de eerste plaats helemaal niet af of het misschien een bordeel was. Tot ik dat bordje las, natuurlijk.

Ik weet niet wat uw theorie is over dat huis in Londen, maar wat ik wél weet is dat de kans heel groot is dat u net als ik een verklaring gaat proberen te bedenken voor dat bordje. Dat is zo omdat we als standaard aannemen dat er niet meer gezegd moet worden dan nodig is. Daarnaast nemen we ook aan dat de dingen die vermeld worden in een uitwisseling van informatie relevant zijn. Als u een wasbak ziet met een bordje erbij waarop “DIT IS GEEN TOILET” staat, dan neemt u bijvoorbeeld aan dat er eerder wel eens ‘incidenten’ waren met die wasbak. Als de bewoners van een huis u vertellen dat hun huis géén bordeel is en dat er géén sekswerkers verblijven, dan neemt u ook aan dat er blijkbaar een reden is om dat even vermelden. Bij dingen die niet relevant zijn, of vanzelf spreken, aan de andere kant, is de standaard dat ze niet vermeld worden.

We nemen trouwens niet alleen aan dat er niet meer gezegd wordt dan nodig is voor hele uitspraken. Het gaat ook over de aan- of afwezigheid van woordjes in een zin. Stel dat u de eigenaar bent van een wasbak waar af en toe wel eens ‘incidenten’ mee voorvallen, en u hebt de keuze tussen twee bordjes om duidelijk te maken dat die wasbak geen toilet is. Op het ene bordje staat “DIT IS GEEN TOILET”, en op het andere “DIT IS NU GEEN TOILET”. In principe zeggen die twee bordjes hetzelfde: het werkwoord staat in beide zinnen in de tegenwoordige tijd, en dus doen beide bordjes een uitspraak over wat nu de stand van zaken is met die wasbak. Met andere woorden: dat het nu geldt, zit in de werkwoordstijd vervat. Maar omdat op dat tweede bordje het woordje NU expliciet vermeld staat, nemen we aan dat daar een reden voor is. De wasbak is nu geen toilet, maar wordt er later misschien eentje. Nog even geduld dus.

Upcyclen

Het soort aannames dat hier beschreven wordt is ooit vastgelegd als ‘conversatieprincipes’ door taalfilosoof Paul Grice. Grice had het in zijn werk niet over leestekens, maar het is niet zo gek om voor te stellen dat gelijkaardige principes aan het werk zijn als we de woorden, zinnen en tekens in elkaars appjes bekijken. Je zou hier ook kunnen spreken over een efficiëntie- of economieprincipe: omdat het wel vanzelf spreekt wanneer een appje ophoudt, is het niet echt nodig om er nog een afsluitingspunt achter te plaatsen. En dus, dachten steeds meer jongelui, dat dat afsluitende punt achterwege gelaten kan worden – tenzij er echt iets mee bedoeld wordt.

Oei!

Wat er dan gebeurde met de punt lijkt wel een beetje op upcycling – in de hippe zin van het woord, u weet wel: van berg onbruikbare autobanden tot stapeltje superbruikbare handtasjes. In de taalwetenschap wordt er echter niet over ‘upcycling’ gesproken (jammer), maar over ‘exaptatie’. We spreken over exaptatie wanneer een talig kenmerk om een of andere reden overbodig wordt, en dan plots gebruikt gaat worden met een nieuwe functie (waar het oorspronkelijk niet voor bedoeld was).

Het verschil met het soort upcyclen dat je in de urban outfitters ziet is dat exaptatie al eeuwen een ding is. Het is bijvoorbeeld ook bijwoorden op -erwijs overkomen. Vroeger was het zo dat we ­-erwijs nodig hadden om van een bijvoeglijk naamwoord als gelukkig en begrijpelijk een bijwoord te maken. Destijds konden we dus niet gelukkig sterven, enkel gelukkigerwijs. Dat veranderde toen in het Middelnederlands adjectieven zonder vormaanpassing als bijwoorden gebruikt konden worden. Het was dus plots ook goed om gelukkig te sterven, en zo zat -erwijs ineens zonder baan. Maar in plaats van -erwijs dan wandelen te sturen, werd het ingezet met een andere functie. U kan dat zien aan de volgende twee voorbeelden:

De man komt normaal binnen.
De man komt normalerwijs binnen.

Het verschil tussen die twee zinnen is dat bij de eerste de man werkelijk naar binnen komt, en hij doet dat bovendien op een normale manier. Het bijwoord normaal heeft dus betrekking op het werkwoord, binnenkomen. Bij de tweede zin, daarentegen, komt de man niet naar binnen, en dat is niet normaal. Dat is zo omdat –erwijs nu iets doet wat het vroeger niet deed: het zegt iets over de hele zin. Met het geüpcyclede -erwijs kan je dus mogelijk verwarring rond die wel-of niet binnenkomende man vermijden. Handigerwijs.

De punt

Met de komst van het tekstwolkje in onze sms’jes en appjes zat ook de afsluitende punt in bepaalde sectoren ook zonder baan. Maar taalgebruikers zijn goede werkgevers, zo blijkt, want ook voor de afsluitende punt werd een nieuwe functie gevonden: een negatieve lading geven aan de voorgaande boodschap. Naast het blije ik ben er!, het vragende ik ben er?, het twijfelende ik ben er…, en het neutrale ik ben er kan u nu dus ook gewoon angst en vernieling zaaien met een ijskoud ik ben er., waar u niet alleen mee aangeeft dat u er bent, maar ook dat u problemen hebt meegebracht. Het leuke daaraan is dat u, als u daar problemen mee hebt, er gewoon over kan appen met een punt aan het einde.

Dit stuk komt voort uit een interview dat ik ooit gaf voor mashable.co.uk, waar ze het blijkbaar een goed idee vonden om een historisch taalkundige vragen te stellen over leestekens. Ik ben uiteindelijk toch losgegaan met het onderwerp, en ben daar wel blij om. Ik bedank graag Freek van de Velde, die over -erwijs en nog vele andere gevallen van exaptatie geschreven heeft. Ik wil ook mijn studenten bedanken die me heel erg veel ideeën gegeven hebben voor nog heel veel stukjes over hoe zij (en ook ik) als ware MacGyvers aan de slag zijn gegaan met onze (digi)taal.