Beschouwing en betoog: Jeetje, wat een lastige vraag

Door Marc van Oostendorp

Soms is het leven een waargebeurde aflevering van het Verwarwoordenboek. Dat gold in ieder geval voor degenen die afgelopen vrijdag het centraal eindexamen Nederlands voor vwo hebben gedaan.

Over het algemeen was het, om te beginnen, in zijn soort een goed examen. Ik houd zoals bekend niet van de soort, maar waar je een aantal jaar geleden ook nog allerlei fouten in zo’n examen kon vinden en er echt aantoonbaar onbeantwoordbare vragen werden gesteld, leek het me nu allemaal redelijk te doen. De klachten gingen onder andere over het feit dat onderwerpen waarop scholieren hadden geoefend te weinig aan bod kwamen – argumentatie, tekststructuur – omdat de meeste vragen gingen over de inhoud van de tekst. Dat is misschien een toetstechnisch probleem, maar daar moeten toetstechnici zich dan maar druk om maken.

Jeetje

Toch waren er nog steeds wel wat problemen – altijd weer verbazingwekkend als je beseft met hoeveel zorg en vergadertijd zo’n examen kennelijk wordt gemaakt. Er waren een paar vragen die naar hetzelfde leken te vragen, en dat is inderdaad onnodig verwarrend. En dan was er de kwestie van de beschouwing versus het betoog.

De kandidaten moesten de vraag beantwoorden of een column van Leonie Breebaart over de manier waarop de prijs van consumptieartikelen tot stand kwam (tekst 3 in het tekstboekje) nu een betoog was of een beschouwing. Op Twitter gaf de schrijfster zelf aan dat lastig te kunnen beoordelen:

Examenhandigheid

Nu geloof ik niet dat het een criterium is of de schrijver zelf alle vragen over zijn tekst foutloos kan beantwoorden. Een column kunnen schrijven is iets anders dan een column kunnen analyseren. Maar ik vermoed dat dit het soort vraag is waar veel mensen die niet in de bovenbouw van havo of vwo zitten moeite mee hebben.

Breebaarts tekst citeert eerst de filosoof Bas Haring die zegt dat hij geen Fairtrade-koffie meer koopt omdat de hoge prijs een indicatie zou zijn dat het product niet goed is (want anders zouden meer mensen het wel kopen, wat de prijs omlaag zou halen). Breebaart gaat daartegenin en geeft vervolgens enkele andere oorzaken waarom prijzen soms laag of hoog kunnen zijn.

Het is dus ongeveer duidelijk wat Breebaart vindt, en iemand met een beetje examenhandigheid zal daarom waarschijnlijk zeggen dat het wel een betoog zal zijn, want dat lijkt de rechte lijn die de examenmakers trekken: is er sprake van een eigen mening, dan is het dus geen beschouwing.

Ertussenin

Het is volgens mij geen harde scheidslijn in het dagelijks leven. Beschouwingen kunnen ook wel degelijk een mening hebben, en zelfs een heel duidelijke. Ik zou zeggen dat een beschouwing een tekst is waarin een kwestie van alle kanten belicht wordt, en een betoog een tekst waarin de schrijver een mening over een onderwerp formuleert.

Er kunnen teksten zijn die een kwestie van alle kanten belichten en een mening geven. Die teksten kunnen dus zowel als beschouwing als als betoog gelden. Ik ben helaas geen kenner van het oeuvre van Leonie Breebaart, maar haar column in het eindexamen van dit jaar heeft inderdaad de kenmerken van allebei en ‘zit er tussenin’.

Intenties

Nu valt ook hier wel iets meer over te zeggen. Op de middelbare school worden sommige termen kennelijk wat strenger afgebakend dan in het dagelijks leven en krijgen teksttypen definities die elkaar uitsluiten. Dat hoeft niet per se slecht te zijn, want het kan de analyse vergemakkelijk als je streng afgebakende definities hebt.

Nu blijken termen als betoog en beschouwing inderdaad in de voorschriften anders te worden gedefinieerd dan pakweg in het WNT of Van Dale (want die maken ongeveer het hierboven geschetste onderscheid). Dat verschil zit in de intentie van de auteur. Bij een beschouwing “is er niet op gericht de lezer voor een van die standpunten te winnen”, een betoog “heeft als doel de lezer van het standpunt te overtuigen”.

Dat is logisch gezien een duidelijk onderscheid, maar in de praktijk krijg je dan het probleem dat je als eindexamenkandidaat, opgesloten in een gymzaal. moet vaststellen of de auteur je nu wel of niet voor zijn standpunt wil winnen. In het onderhavige geval weet de auteur dat kennelijk zelf niet eens, en we weten na vele decennia van onderzoek dat het hopeloos is om zulke intenties te kunnen vaststellen als we alleen de tekst hebben. Hoe moet een scholier dat dan weten?

In een eerdere versie van deze post schreef ik ten onrechte dat er geen officieel document was met definities voor betoog en beschouwing zoals deze in het eindexamen gelden.