400 Jaar Geleden: ik zijn

Door Ton Goeman

Een oostelijke dialect-onderstroom in de schrijftaal van de landsadvocaat:de ick-vorm van het werkwoord “zijn” in de bescheiden van Oldenbarnevelt

Op 13 mei 1619, vier eeuwen geleden, werd Van Oldenbarnevelt na een zeer dubieus proces in Den Haag onthoofd wegens landverraad en majesteitschennis. De procesgang was zelfs voor die tijd al dubieus; en buitengewoon dubieus was de samenstelling van de rechtbank, een speciale commissie gevuld met verklaarde vijanden van de landsadvocaat.

Dat was het voorlopige eindstation van jaren maatschappelijke onrust die het gevolg was van het feit dat er wel een kerkorde was afgesproken maar niet ingevoerd, dat, parallel daaraan er een functionerend staatsbestel was, maar met nog maar half uitgewerkte rollen voor de staatsinstellingen, dat er onenigheid was of men financiëel gezien de oorlog kon volhouden of dat er behoefte was aan veiligheid voor handel, dat er wel een wapenstilstand was, maar met tweedracht over de te volgen lijn en parallel daaraan of men coalities moest sluiten met Engeland of met Frankrijk. Hardliners die uit Vlaanderen en Brabant gevlucht waren dreven de kerk in fundamentalistische richting, en steunden de oorlogspartij. Daarbij raken de twee hoofdpersonen stadhouder Maurits en de landsadvocaat van Holland Oldenbarnevelt al van langer meer en meer van elkaar verwijderd.  Het land dreigde te bezwijken onder de polarisatie.

Prins Maurits had binnen de familie, aan de zijlijn, ondervonden hoe je binnenlandse onlusten oplost met het scenario van kardinaal Richelieu voor Frankrijk.

De hertog van Bouillon (Turenne), zwager van Maurits, was al eens onder Hendrik IV van hoogverraad beschuldigd.  Vervolgens was hij met de prins van Condé een binnenlandse oorlog tegen de jonge koning Lodewijk XIII begonnen en deed dat later nog eens over met de hertog van Nevers.

Deze penibele situatie wordt door kanselier Richelieu als  volgt rechtgezet: eerst ontketend hij een pamflettenoorlog tegen de opstandelingen, daarna worden ze wegens hoogverraad in de ban gedaan en vervolgens worden al hun bezittingen geconfisceerd (Den Tex & Ton 1980, passim.). De machtsbasis wordt tevens militair verkregen.

Dat overkomt ook Oldenbarnevelt. Er brandt een ware pamflettenoorlog los over religiekwestie’s en de rol van de overheden, over landverraad aan Frankrijk en Spanje, en vuilspuiterijen over de familie Oldenbarnevelt. Maurits pleegt min of meer een staatsgreep en zet ook de staten van Holland naar zijn hand door daar een aantal tegenstanders van Oldenbarnevelt in te benoemen. De felste tegenstander en vertrouweling van Maurits komt al meteen in de verhoorcommissie; het is François van Aerssen, die toen hij aan het Franse hof gezant was een groot deel van de onlusten daar had meegemaakt.

Oldenbarnevelt is niet zoals Bouilon, Condé en Nevers van koninklijken bloede dus bij hem is er in geval van majesteitschennis ook minder consideratie. Oldenbarnevelt acht zich onschuldig en omdat hij en zijn gezin niet om gratie willen vragen leidt dat tot de doodstraf. De confiscatie wordt tegen de rechtregels in, achteraf na de executie nog even geregeld: op één na verklaren de rechters dat weliswaar die majesteitschennis niet in hun vonnis staat, maar dat ze die bedoeling wel hadden (Haak-Veenendaal III, 1967, p. 520-525; verklaringen ingeleverd van 19-05-1619 tot 6-06-1619).

2. IK ZIJN bij leven en in het aangezicht van de dood

Op 29 augustus 1618 wordt hij gearresteerd, op Sint-Jans-Onthoofding-dag, een morbide samenloop van omstandigheid. Op 9 september schrijft hij aan Maurits en diens neef en zwager Willem Lodewijk een brief omdat hem een rechtstreeks gesprek geweigerd wordt.

Aan het slot verklaart hij hen onder meer (Haak-Veenendaal III, nr. 392, p. 467):

Mijn hoepe ende vertrouwen is dat Uwe P. Exc.e ende G. Daeruuyt verstaen zullen, dat ick zijn ende van goeder harten begeere te blyeven ten uuytersten mijns leevens toe Uwe P. Ex.e zeer oetmoedighen dienaer.  … Uuyt die camer der drouffheyt, den 9en septembris 1618.

Op 12 mei wordt hem zijn doodvonnis aangezegd. De laatste brief van Oldenbarnevelt is aan zijn familie op de ochtend van zijn executie. We kennen deze uit een authentieke kopie die door H. Pots, de griffier van de ondervragers werd “gecollationeerd jegens den originelen brieff …”; H-V. III, nr. 418, p. 486)

Seer lieve huysfrouwe ende kinderen, Het gaet met mij ten eynde. Ick zijn deur Godes genade wel gerust.

Er is ook een gesmokkeld briefje aan zijn familie uit de tijd van het proces waarvan de laatste zin is (H-V. III, nr. 403, p. 475, ong. 10-3-1619):

Ick ben welgemoet.

De vorm ben is vreemd voor Van Oldenbarnevelt. Maar dit briefje kennen we alleen in de vorm van een gebrekkige kopie uit de 17e eeuw. Dus waarschijnlijk is zijn door ben vervangen, de laatste is immers de gewone vorm in het toenmalige Hollands.

Dat is ook de vorm die we bij zijn correspondenten Ortel, Bockenberg, en Calvart aantreffen.

Die afwijkende vorm vinden we in de correspondentie voor het eerst in een eigenhandige minuut (concepttekst) in zijn verslag van een zending uit de staten van Holland naar Utrecht (H-V. I, nr. 8, p. 10). Zijn verslag is in de ik-vorm en kunnen we dateren op of net na 19-10-1578). Hij is dan sinds 1576 pensionaris van Rotterdam en nog geen landsadvocaat, dat wordt hij pas in 1586.

… , hebbe ick my opten XVIen deser maent getransporteert uuyt Den Haghe naer Utrecht, alwaer ick den XVIIIen des avonts in der herberghe gecomen zijn, alwaer mede ten zelven daghe quaemen die verscreven andere heeren gecommitteerden.

Ik werd op dat gebruik van ik zijn voor ik ben opmerkelijk doordat Veenendaal in deel II kritiek heeft op een 19e bronnenuitgave. Die bezorger veranderde spelling, taalvorm, zinsbouw en compositie en juist als voorbeeld ervan geeft Veenendaal: “het veranderen van de persoonsvorm na ik. Oldenbarnevelt schrijft steeds : ick zijn ; Van Deventer verandert dit stelselmatig in : ik ben.” Dat interesseerde me; vooral omdat ik 40 jaar geleden een artikel over ik zijn versus ik ben had geschreven in een bundel over taalverandering (Goeman 1979). 

Ik kreeg de uitgave van Haak-Veenendaal van een bevriende relatie omdat bij het zuiveren van hun papieren instituutsbibliotheek ook deze uitgave afgevoerd werd. Ik vind zoiets een crime. Weliswaar is het handig om de digitale copie ook te gebruiken, maar die is geen vervanging van het papier en ik heb daarom beide gebruikt bij het doorzoeken van de tekst, ook al omdat de digitale zoekfunctie beperkt is. Het is ondoenlijk om op zijn te zoeken omdat dan ook alle mannnelijke voornaamwoorden meekomen. Ik ben daarom op alle vormen ik en ick gaan zoeken en controleerde dat in de papieren versie, ook al omdat bij de digitale versie gewezen wordt op mogelijke resultaatfouten van de zoekfunctie.

Op de meer gedetailleerde resultaten van dat zoekwerk en ook in verhouding tot het gebruik van ik ben bij andere correspondenten kom ik nog eens terug, maar ik geef nu deze voorlopige stand van zaken als eerbetoon aan Oldenbarnevelt.

3. Toch ook wel IK BEN

Hierboven werd al het gesmokkelde briefje vermeld waarin Oldenbarnevelt ik ben gebruikt. Ik hechte daar niet zo veel bewijs aan omdat het een copie was, later uit de eeuw.

Toch gebruikt hij die vorm wel degelijk ook zelf, zo bijvoorbeeld in een brief van 11-07-1597 aan de rentmeester van de grafelijkheid van Egmond. Dat is een eigenhandige minuut. Er zal geld betaald worden door een aantal van zijn pachters (H-V. I, nr. 186, p. 353), maar vader en zoon Coman maken bezwaren:

Ick ben verwondert, dat de Comans nu claghen, terwyle zy noyt geclaeght ende oick goet gewas gehadt hebben.

Zo’n vorm in een eigenhandige minuut is betrouwbaar en dus hoort ik ben zeker tot het actieve schrijftaalgebruik van Oldenbarnevelt; maar het is echt een uitzondering, hij gebruikt in bijna alle gevallen ik zijn.

Dat dubbele gebruik is niet eigenaardig, ik signaleerde het in het artikel van 1979. Daarnaast komt er ook nog een andere vorm voor, die met ik zijn verwant: ik zij; geen optatieven zoals blijkt. We vinden die bij correspondenten die een zuidelijke achtergrond hebben.

J. Ortel (H-V. I, nr. 48, p. 116 en nr. 85a, p. 201; afkomstig uit Antwerpen) 

Ick zy vast in handen eenighe saecken … te conciperen

… dat ick doer eenighe geloffwerdige coopluyden in ervaeringe zy gecomen, dat …

S. Snouck (H-V. II, nr. 279, p. 385)

Ick zij den 12en weder Padoue gecomen

Caron (H-V. II, nr. 390, p. 483; West?-Vlaanderen )

Ick ben verblijdt geweest …. Ick sij nu oock Godt loff redelijc wel te passe, …

Caron (H-V. II, nr. 404, p. 507)

Ick sij bij diversche negotianten op de Oost-Indien toegesproecken…

Dan ick en ben niet wijs genouch

Caron gebruikt in de correspondentie vaker ick sij.

Van Boetzelaer (H-V. III, nr. 272, p. 286; het familiegoed ligt in het rivierengebied)

Voorts ben ick bedrouft dat onse brijven, publijcke ende particuliere (soo ick meine) geïntercipieert sijn, overmits ick vooralsnogh blint sij in alle saecken. Maer het sal haest beteren. Xxx Goeman

Het is mogelijk dat Oldenbarnevelt zich soms richt naar het taalgebruik van zijn correspondent. Hij verontschuldigt zich bij de gezant Van Aerssen te Parijs (zijn latere wraakzuchtige tegenstander en een zeer orthodox-calvinistische Brusselaar, H-V. II, nr 375, p. 461, op 2-4-1611)

Ick zij bedroeft ende ontstelt geweest, verstaende dat Uwe E. brieven aen mij geduyrende mijne indispositie nyet zoo wel ende secretelijck en sijn gemesnaigeert als te vooren …

Aan Van Boetzelaer (H-V. III, nr. 336, p. 353; op 27-9-1617)

Voor mij, ick sij gequelt met een groote debiliteyt, mij overgecomen uuyt een groote stoornisse, ende sijn nu over de 24 dagen onder de handen van doctoor Sael

Aan Floris II van Culemborg (H-V. III, nr. 350, p. 363; op 29-11-1617, eigenhandige minuut)

Ick ben zeer verbleyt dat beyde Uwe G.G. … wel gearriveert zijn.

Aan Maurits (H-V. III, nr. 367, p. 384 en 385; op 24-4-1618) beklaagt hij hun vervreemding.

Maer ick en ben nyet gesecondeert … [in zijn voorstel] …

[hij werd belasterd] … waerdeur ick genootsaeckt sijn van Utrecht mij wederom alhier te begeeven.

Ik laat het hierbij wat die schrijftaalvarianten betreft in de correspondentie van en aan Oldenbarnevelt en ga in de volgende paragraaf in op wat er bekend is van het voorkomen in de dialecten en de ontwikkeling.

4. IK ZIJN in de dialecten

Voor een beeld van de verspreiding van de vormen voor ik ben kan ik teruggrijpen op een artikel van dat precies op dat onderwerp betrekking heeft (Goeman 1979). Het geeft de situatie weer uit de eerste helft van de 20e eeuw, en de gegevens komen uit Reeks Nederlandse Dialectatlassen (1925-1982). Het begin van het zinnetje Ik ben blij dat ik met hen niet meegegaan ben dat ik uit de RND gebruikt heb komt overeen met wat Oldenbarnevelt bijvoorbeeld schrijft: “Ick zijn verblijdt dat …” Zie kaart II. De gegevens voor het gebied zonder data waren in 1979 nog niet gepubliceerd, maar we weten inmiddels dat het gemengde beeld van zuidoostelijk Overijssel zich voortzet in zuidelijk Drente.

Bij wat we op de kaart zien moeten we wel bedenken dat er afgezien is van nadere onderscheidingen; uitspraakvarianten als bun of bin vallen op de kaart onder ben, en evenzo zun, zien of zin onder zijn. Zijn komt vooral voor in West-,  Frans en Zeeuws-Vlaanderen en ook in de provincie Antwerpen en Brabant (België). Zej of zij komen voornamelijk tegen in het Rivierengebied en het noorden van Limburg en verder in de noordoostelijke dialecten. Het Woordenboek der Nederlandse Taal (WNT) verwerkt ook dialectwoordenboeken, die zijn meestal van wat oudere datum en bevestigen het beeld geheel.

Het blijkt dus dat alle varianten – ik ben, zijn en zij – die bij Oldenbarnevelt en zijn correspondenten optraden in de 16e – 17e eeuw, ook in de huidige dialecten voorkomen. Er zijn natuurlijk wel veranderingen opgetreden en dat kan ik demonstreren aan kaart I.

Hier kunnen we zien wat er in een en dezelfde plaats in een eeuw veranderen kan. Vergeleken worden de antwoorden op twee schriftelijke enquetes rond 1880 met de herhaling in 1979. Ook heb ik aangegeven hoe het beeld er in aangrenzend Duitsland uitziet op basis van de Wenker-vragenlijsten uit Marburg die ook van eind 19e eeuw dateren. Willems kreeg ook gegevens van over de Duitse grens en we zien dat bijvoorbeeld in het Kleefse de gegevens goed overeenstemmen.

Ook hier zien we dat soms ben en zij(n) alletwee gebruikt worden. Er zijn verschuivingen in de richting van ben, voornamelijk onder invloed van de standaardtaal. Als we alleen de ongemengde typen tellen – dus of zijn -> ben of het omgekeerde – verschuiven er 10 naar ben, en 9 naar zijn.

Het is mogelijk om ook iets over een verder teruggelegen verleden te zeggen door niet alleen in het WNT maar ook in het Middelnederlandsch Woordenboek (MNW) bij ZIJN te kijken naar de geografische inpassing van de citaten.

Een vertaling van het Soliloquium van Augustinus (Cap. 1–19, 1e helft) uit de periode 1451-1500, gelokaliseerd in Noord-Oost Nederland, meer specifiek Gelders-Overijssels, in de uitgave p. 45 (MNW). Het eerste citaat is ook de vorm waarnaar Van Loey (1976, 93; aant.) verwijst.

Wat sin ic? ic sin een vat vol messes

Wat sijn ic, onsalighe!

In de Vocabularius qui intitulatur Teutonista vulgariter dicendo der Duytschlender vinden we eveneens ic sijn, en wel naast ic bun en ic byn; Deel I omvat een gebruikswoordenboek Duytsch-Latijn. Het stamt uit 1477 en is Kleefs. (WNT):

byss, sijst, wese, esto;

du byss, sijss, es; 

gy sijdt, gy bunt, estis; 

sijdt, weset, bunt, sitis, estote; 

ic bun, ic byn, ic sijn, ic sijd(?), sum

stede dair vele bade synt, balustrium; alle die ghoone die gewyhet synt, clericus.

Een geestelijk liedboek met melodieën van 1539, gelokaliseerd in Brabant (MNW)

Laet u doch mijns ontfermen, want ick dijn schepper sy (pag. en strofe 20,20)

Alle vormen en hun varianten vallen binnen de geografische patronen die we op de twee bovenstaande kaarten aangetroffen hebben. Ik moet er nogmaals op wijzen dat dat niet betekent dat de dialecten onveranderlijk de weerslag zijn van de late Middeleeuwen. We zagen immers al veranderingen in de periode 1879-1979, en veranderingen zijn er vroeger ook geweest.

Hoe de zijn-vormen van Hollandse kluchten (Weijnen, 19693, 40) in dit patroon ingepast moeten worden is me momenteel niet geheel duidelijk.

5. De taal van Oldenbarnevelt tussen oost en west

We kunnen nu de schrijftaal van Oldenbarneveld plaatsen in het dialectlandschap. Er is een oostelijke onderstroom die in zijn gebruik van ick zijn duidelijk aan de oppervlakte komt. Hij gebruikt soms de Brabantse vorm zij en maar ook, soms, het Hollandse, Brabantse en Oostvlaamse ben.

Zijn spelling ij in zijn wijst naar alle waarschijnlijkheid niet naar iets als onze uitspraak, maar naar de oostelijke met een ie of i. Want als we nog eens goed naar de spellingen kijken in zijn citaten, dan wijzen die erop dat hij niet diftongeerde; ook had hij nog niet onze ui, hij begint nog maar pas met de uu een beetje te diftongeren: uuyt. En blijven heeft echt nog niet onze ij: zo bijvoorbeeld in zij brief aan Maurits en Lodewijk

… blyeven ten uuytersten …

Aan van Aertsen schrijft hij 31-3-1600 (H-V, I, nr. 277, p. 553, eigenhandige minuut):

prouffijt, viant, zy (pers. vnwd, 3e meervoud) by, bewijs, te gecrighen (=krijgen), vijff hondert, termynen (=termijnen), nyet (=niet), ’t schryeven (het schrijven)

(H-V, I, nr. 97, p. 220, 221) 17-1-1591 eigenhandige minuut

schrieft my by zyne brieven … mijn schryeven

(H-V, III, nr. 75, p. 89, 10-2-1615; eigenhandige minuut)

januarij, verblyet (=verblijd), schrieft, ymmers

(H-V, III, nr. 315, p. 334 eigenhandige minuut)

ynct (=inkt), sylver, wye (=wie)

Dat alles wijst hooguit op een beginnende diftongering bij woorden als uuyt. Mogelijk is de ij in zijn bij hem iets tussen lange î (schryeven; verkort in: schrieft) en korte i (zoals we die in blickt (=blijkt) aantreffen). Zie voor de diftongering van î  de volgende kaart (kaart 4, uit Goeman 1994).

Hol (1955, 92-93) geeft een opsomming van de spellingen van het meervoud van zijn in de Veluwse dialecten in de periode 1515-1675: het zijn geronde en ongeronde meervouden sint, sünd/t, zind, synddt, synt, zynt, sund/t met een eenheidspluralis op -nd/nt. die eenheidspluralisvormen hebben een korte vocaal. Als we hiervan willen terugsluiten op schrijfvarianten voor de 1e persoon enkelvoud zijn dan komen we uit op varianten met eveneens een korte vocaal, maar een wat langere is ook mogelijk. Dan zit qua lengte Oldenbarnevelts ij tussen ye en i. Mogelijk wilde een i-achtige min of meer onbeklemtoonde vocaal weergeven. Een andere mogelijkheid is dat hij zich voor de spelling van oostelijke vorm zijn richt naar wat in Holland gebruikelijk is.

In ieder geval past de vorm van Oldenbarnevelt bij de ongediftongeerde oostelijke varianten sin met lange î of korte i , of met korte u.

De Amersfoorter Oldenbarnevelt hoort meer bij het oosten dan bij Utrecht, net zoals Amersfoort qua mentaliteit en conflicten, al in de middeleeuwen, recht, ook wel gewapend, tegenover Utrechts bisschop stond, zoals Den Tex en Ton (1980) vaststelden. Amersfoort was en voelde zich een grensstad tussen Utrecht en Gelderland. En voor Oldenbarnevelt persoonlijk gold dat ook. Hij behoorde van huis niet tot de patriciërs, zijn familiale achtergrond lag op de westelijke Veluwe waar ze hooguit kleine hereboeren waren, zijn vader spelde de naam nog wel als Oudenbarnevelt, hijzelf koos voor de naar het oosten al teruggeweken vorm met old-. IK ZIJN is sinds de zeventiende eeuw uit Amersfoort teruggebracht naar de huidige positie in het Noord-Oosten. Maar … op de westelijke Veluwe is vlakbij Amersfoort, in Barneveld (Van der Giessen, 2008) de ij nog steeds ie, en de infinitief zijn wordt er dus uitgesproken met ie.

Literatuur

Blancquaert, E. en W. Pée (red.) (1925-1982), Reeks Nederlandse Dialectatlassen (RND). 16 delen. Tongeren.

Haak, S.P. en A.J. Veenendaal. (1934/1962/1967). Johan van Oldenbarnevelt. Bescheiden betreffende zijn staatkundig beleid en zijn familie, I-III. [Reeks Rijks Geschiedkundige Publicatiën Grote Serie 121]. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff. [gebruikt naast de digitale versie in resources.huygens.knaw.nl/retroboeken/oldenbarnevelt]

Giessen, H. Van der. (2008). Barnevelds Woordenboek; het dialect van de West- en Midden-Veluwe [Schaffelaarreeks nr. 43]. Barneveld: Koninklijke BDU Uitgevers.

Goeman, A.C. (1979). IK ZIJ(N) versus IK BEN gedurende honderd jaar. In: M. Gerritsen (red.): Taalverandering in Nederlandse Dialecten. Honderd jaar Dialectvragenlijsten 1879-1979. Muiderberg: Dick Coutinho, 219-230.

Goeman, A. (1994). Geen Great Vowel Shift in de Nederlandse dialecten, in: G.E. Booij, G. en J. van Marle (red.): Dialectfonologie [Cahiers van het P.J. Meertens-Instituut 6], Amsterdam: P.J. Meertens-Instituut, 20-59.

Hol, A.R. (1955). Het meervoud van het praesens in onze oostelijke dialecten I. Taal en Tongval 7, 87-96.

Hol, A.R. (1958). Het meerv. en de 1e pers. enkelv. praesens van het verbum substantivum. Album Edgard Blancquaert. Tongeren, 179-183.

Kruijsen, Joep en Nicoline van der Sijs (samenstellers) (2016), Meertens Kaartenbank. Op: http:// www.meertens.knaw.nl/kaartenbank/ ; eerste versie gelanceerd in 2014.

Loey, A. van. (1968). Quelques considerations sur les forms du verbe être en germanique occidentale. Koninklijke Academie van België. Mededelingen Klasse der Letteren en der Morele en Staatkundige Wetenschappen [5e Reeks, Boek LIV], 25-36.

Loey, A. van. (1976). Middelnederlandse Spraakkunst. I Vormleer [8e druk]. Groningen: Tjeenk Willink .

Tex, Jan den, en Ali Ton (1980). Johan van Oldenbarnevelt. Den Haag: Martinus Nijhoff [gebruikt is de digitale versie in de DBNL].

Verwijs, Eelco en Jacob Verdam. Middelnederlandsch Woordenboek; digitaal raadpleegbare versie op: https://ivdnt.org/onderzoek-a-onderwijs/lexicologie-a-lexicografie/mnw 

Weijnen, A. (1960). Zeventiende-eeuwse Taal. Zutphen: W.J. Thieme & Cie.

Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT); digitaal raadpleegbare versie (lemma ZIJN1)

Weijnen, A. (1960). Zeventiende-eeuwse Taal. Zutphen: W.J. Thieme & Cie.

Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT); digitaal raadpleegbare versie (lemma ZIJN1)