Verkleinwoorden leren

Door Marc van Oostendorp

Wie geen verkleinwoordjes maakt, kan niet zeggen dat hij Nederlands spreekt. Hun betekenis is subtiel (een watertje is niet per se kleiner dan een water, als wel iets anders, namelijk gebotteld of in een glas ter beschikking gesteld), en er zijn ook vele vormen. Alleen al in de standaardtaal zijn er vijf verschillende uitgangen: je (hoopje), tje (zeetje), pje (raampje), kje (kettinkje) en etje (ringetje). Wanneer gebruik je welke vorm?

Ga er maar aanstaan als een kind dat dit allemaal moet leren. Toch pikken alle kinderen het systeem op een bepaald moment op. Hoe doen ze dat? En vooral: wat bepaalt in welke volgorde ze die achtervoegsels leren. Beginnen ze bijvoorbeeld met de eenvoudigste vorm? Of met de vorm die het vaakst voorkomt.

In een nieuw artikel beschrijft een groep Amsterdamse taalkundigen uit hoe ze met een experiment hebben geprobeerd een antwoord te vinden op die vragen. (Het artikel is vermoedelijk gebaseerd op het proefschriftonderzoek van de eerste auteur, Tiffany Boersma.)

De verschillende uitgangen komen (natuurlijk) niet allemaal even vaak voor. Als je gaat tellen is het vrijwel alleen maar –je en –tje wat de klok slaat.

Typefrequentie van verschillende uitgangen. ‘Type-frequentie’ betekent dat je telt hoeveel verschillende woorden een bepaalde uitgang neemt (en daarbij niet let op hoe frequent ieder van die woorden zelf is).

Nu blijken kinderen die vormen ook relatief snel te leren. Toch laten de auteurs dat die relatieve frequentie niet de belangrijkste factor is. Die is die van eenvoud. De regels voor het verkleinwoord zijn ongeveer zo (er zijn ook uitzonderingen, die noem ik hier niet)

  • je komt na de medeklinkers p, k, t, b, d, f, v, s, z. g (de zogeheten ‘obstruenten’)
  • pje komt na een m, behalve als de voorafgaande klinker kort is (raampje maar niet stempje)
  • kje komt na ng als er geen klemtoon ligt op de voorafgaande lettergreep (kettinkje, maar niet rinkje)
  • tje komt na n, r, l (de zogeheten coronale sonoranten), tenzij de voorafgaande klinker kort is (traantje, maar niet mantje)
  • etje komt na m, ng, n, r, l (de zogeheten sonoranten) als de voorafgaande klinker kort is en klemtoon of bijklemtoon heeft.

Er zijn nu goede redenen om te denken dat regels ingewikkelder worden als je op klemtoon moet letten, want in het Nederlands zijn er verder nauwelijks of geen andere woordvormingsregels waarvoor dat ook geldt (de uitzondering gaat over meervoud van woorden die eindigen op –ie: families tegenover genieën; vergeet dat). En inderdaad blijken kje en etje veel lastiger voor kinderen dan je puur op basis van hun relatieve frequentie zou mogen verwachten.

 

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , . Bookmark de permalink.