Natiolecten en hun labels in naslagwerken

Door Miet Ooms en Reglindis De Ridder

Begin dit jaar publiceerde de Taalunie de visietekst over en het implementatieplan voor haar taalvariatiebeleid in de toekomst. Daarin stippelt ze haar taalvariatiebeleid uit, met aandacht voor corpus-, status- en acquisitieplanning. Corpusplanning impliceert de beschrijving van die variatie, statusplanning de acceptatie ervan door de taalgebruikers en acquisitieplanning de omgang met taalvariatie in het onderwijs. Dit implementatieplan is het vervolg op de beleidstekst uit 2003, waarin de Taalunie het idee van de monocentrische standaardtaal definitief inruilde voor een pluricentrische standaardtaal. Sindsdien bestaan er ‘natiolecten’: geaccepteerde varianten van de standaardtaal die in een bepaalde natie (Nederland, België, Suriname en de Caraïben) gebruikelijk zijn. In het nieuwe implementatieplan stelt de Taalunie dat de variatie binnen de standaardtaal al wordt beschreven en dat die lopende projecten zullen worden ‘voortgezet en – waar mogelijk – worden geïntensiveerd of uitgebreid’.

Wij vroegen ons af of taalprofessionals als vertalers, redacteurs, tekstschrijvers en taaldocenten in de praktijk te maken krijgen met die variatie, welke naslagwerken ze gebruiken en welke informatie ze op dit moment niet of moeilijk kunnen vinden. Daarom hebben we in maart een digitale vragenlijst laten invullen door vertalers, redacteurs, copywriters en taalleraren. In het totaal hebben we 203 reacties verzameld.

Uit de resultaten blijkt dat 96% van de mensen die professioneel met taal werken regelmatig naslagwerken raadplegen om te kijken of een woord of uitdrukking gangbaar is in een bepaalde regio. Dat geldt zowel voor Nederlanders als voor Belgen. Soms willen ze weten of een uiting ‘correct’ is of niet, soms zijn ze op zoek naar een uiting uit een specifieke regio en soms net naar een ‘neutrale’ uiting die zeker bruikbaar is in het hele taalgebied. Soms gaat het niet over bruikbaarheid, maar over de juiste betekenis van een woord of uitdrukking: wat betekent het, of heeft het in elke regio wel dezelfde betekenis (zie de interessante discussie over de betekenis van ‘enerverend’)?

In 2018 peilde Miet Ooms bij een andere gelegenheid ernaar hoe vaak vertalers de vraag kregen specifiek voor België of Nederland te vertalen. De grote meerderheid van de 118 respondenten meldden dat ze op zijn minst af en toe die vraag kregen en er ook op in gingen als het over hun eigen regio ging. Anders schakelen ze een collega in. Ook toen werd al duidelijk dat de behoefte aan naslagwerken waarin die variatie accuraat, duidelijk en gedetailleerd beschreven staat groot is.

Uit de recente bevraging bleken vooral de Dikke Van Dale en de taaladviesdiensten (Onze Taal, Taaladvies.net, VRT Taal en de Taaltelefoon) het vaakst gebruikt te worden. Andere naslagwerken zoals het ANW, het Groot Woordenboek Nederlands van Prisma, het boek Typisch Vlaams en Gluren bij de buren zijn veel minder bekend. De informatie uit die naslagwerken volstaat volgens de meeste respondenten vaak ook niet: er zijn nog steeds te weinig regiolabels, zowel voor het Nederlands-Nederlands als voor het Belgisch-Nederlands. Maar dat is niet de belangrijkste lacune. In de woordenboeken krijgen grammaticale informatie zoals lidwoorden, meervoudsvormen, tussen-s bij samenstellingen (zie de discussie over rundvlees versus rundsvlees) geen regiolabels. Ook syntactische verschillen tussen beide delen van het taalgebied, zoals de werkwoord(s)volgorde, moeten accuraat gelabeld worden. Dit alles ervaren taalprofessionals die deze informatie in de praktijk nodig hebben als een belangrijk gemis.

De gedetailleerde resultaten worden binnenkort gepubliceerd. Uit deze samenvatting blijkt alvast dat er bij het werkveld, de mensen die professioneel en praktisch met taal bezig zijn, een grote behoefte bestaat aan degelijke naslagwerken en voldoende informatie over regionale informatie. Met andere woorden: de corpusplanning uit het implementatieplan mag zeker nog hoog op de agenda van de Taalunie blijven staan.