Nathan de kajuitsjongen, of De reis naar Jeruzalem (1849)

Jeugdverhalen over Joden (35)

Door Ewoud Sanders

Herkomst en drukgeschiedenis

Schoenpoetser Nathan krijgt in Amsterdam van een kapitein een baan aangeboden als kajuitsjongen. Dit is het begin van een avontuur dat Nathan tot Jezus zal brengen. Illustratie uit de eerste editie, uit 1849. De naam van de illustrator is niet bekend.

Nathan de kajuitsjongen, of De reis naar Jeruzalem (1849) is geschreven door Jan de Liefde (1814-1869). Halverwege de 19de eeuw was De Liefde een bekende en invloedrijke predikant.

Vanaf 1848, na een studie aan het Seminarie voor Christelijke onderwijzers, leefde De Liefde van het schrijven van schoolboekjes, geestelijke liederen en christelijke jeugdverhalen. In 1852 maakte hij een vertaling van Zadoc, the outcast of Israel, een verhaal over jodenbekering door Charlotte Elisabeth. Het jaar daarop begon hij een evangelistenschool. De Liefde leidde onder meer Eduard Gerdes en Albertus Hardenberg op, die eveneens jeugdverhalen over jodenbekering zouden schrijven.

De Liefde schreef Nathan de kajuitsjongen, zo verduidelijkte hij in een kort voorwoord, om jonge lieden ‘op te wekken tot ernstige belangstelling in de bekeering Israels en der Heidenen’.

Nathan de kajuitsjongen verscheen bij uitgeverij H. Höveker in Amsterdam (later Höveker & Zoon genoemd) en beleefde vier drukken: in 1849, 1864, 1883 en 1904. In de samenvatting is geciteerd uit de derde druk. In 1907 werden de laatste 264 exemplaren van Nathan de kajuitsjongen geveild.

Samenvatting

Nathan is een jonge Amsterdamse schoenpoetser. Hij woont met zijn ouders, broers en zussen in de jodenbuurt in Amsterdam. Nathan heeft ‘gitzwart lokkig hoofdhaar’, heldere bruine ogen en een ‘fier adelaarsneusje’. Nathan droomt ervan om naar Jeruzalem te gaan, alleen omdat hij denkt ‘dat in die stad goud en zilver in overvloed te vinden zijn’.

Op een dag krijgt Nathan van een scheepskapitein een baan als kajuitsjongen aangeboden. Zijn ouders zijn bang dat Nathan zich aan boord niet aan de joodse voedselvoorschriften zal kunnen houden, maar de jongen monstert toch aan, in de hoop dat het schip hem naar Jeruzalem zal brengen.

Aan boord maakt Nathan kennis met de heer Henry. Henry is zendeling en voelt meteen ‘diep medelijden’ voor de ‘jodenjongen’. Om Nathans nieuwsgierigheid te prikkelen legt Henry een christelijk traktaatje op de vloer van zijn hut, getiteld Het Vrije Jeruzalem. Nathan leest het, raakt geboeid en krijgt vervolgens van Henry een bijbel. In de weken erna spreken Henry en Nathan soms wel drie keer per dag over dit ‘heerlijken lusthof van Gods Woord’.

Het schip komt in een storm terecht en vergaat. De meeste bemanningsleden verdrinken, maar Nathan en Henry spoelen aan op de kust van Ascension, een Brits eiland in de Atlantische Oceaan.

Daar vervolgt Henry het onderwijs aan Nathan, die inmiddels zijn bediende is geworden. Nathan raakt steeds meer overtuigd van de zegeningen van het christendom. ‘De ondoordringbare nevelen, die nog kortelings zijne oogen bedekt hielden, waren opgeklaard, en hij zag God, de wereld, Israël, Jeruzalem, zichzelven, ja hij zag zijn Messias.’ Toch kan Nathan er niet toe besluiten om zich te laten dopen. ‘Hij dacht aan zijne ouders, zijne broeders en zusters. Hij gevoelde dat een breede klove hem voor altijd van hen scheiden zou, zoo hij zich liet dopen.’

Maar een kleine twee jaar later, nadat Nathan door een ongelukkige samenloop van omstandigheden nog een tijd gevangen heeft gezeten op Kaap de Goede Hoop (met als enige lectuur een bijbel), voelt hij ‘dat thans voor hem de tijd gekomen was, om de beslissing zijns harten door een openlijken overgang van het Joden- tot het Christendom uit te spreken’. Henry doopt Nathan op Madagaskar, waar zij samen zendingswerk verrichten.

Na allerlei wilde avonturen op Madagaskar, waar zendelingen worden vervolgd, keren Nathan en Henry terug naar Europa. Nathan besluit om met zijn leermeester mee te gaan naar Suriname om ‘onder de negers’ het evangelie te gaan verkondigen, maar eerst reist hij naar Amsterdam om afscheid te nemen van zijn familie.

Als een Amsterdamse jood aan Nathan vraagt of hij inderdaad Jeruzalem heeft gevonden, antwoordt de jongen: ‘Zeker! Maar niet het Jeruzalem, dat gij bedoelt. Ik heb eerst het hemelsche Jeruzalem gevonden door de genade van onzen God. (…) Ik heb den Messias onzer vaderen gevonden.’

Hierop breekt onder de toegestroomde menigte een gemor uit dat al snel overslaat in ‘luid geschreeuw en getier’. ‘Allen drongen met dreigende gebaarden [gebaren] op Nathan, en duizend vinnige vragen stormden op hem aan.’ ‘Zijt gij een gooi [lees: goj, een Jiddisch woord voor ‘niet-Jood’; ES] geworden?’

Het gepeupel roept: ‘Steenigt hem! Van de trappen!’ Ze dreigen Nathan in een bakkersoven te gooien, maar de jongen weet te vluchten.

De volgende dag neemt Nathan afscheid van zijn moeder. Je hebt er verkeerd aan gedaan om de godsdienst waarmee je bent grootgebracht te verlaten, zegt zij. Nathan antwoordt: ‘Moeder, ik ben Israëliet gebleven, ja ik heb nu eerst den godsdienst onzer vaderen gevonden en omhelsd.’

Nathan probeert zijn moeder te overtuigen, maar al zijn argumenten ‘stuitten af op de stompzinnigheid der diep onkundige vrouw’. Ook als zij hem smeekt deze schande niet over haar te brengen (‘Ik ben oud, zult gij mij doen dood weenen?’), blijft Nathan standvastig ‘als eene rots’. Hij neemt afscheid van zijn moeder met de woorden: ‘Ik zal u niet vergeten.’

Doelgroep en receptie

De ondertitel van Nathan de kajuitsjongen luidt ‘Een Verhaal voor Jonge Lieden’. Van dit boek zijn twee besprekingen aangetroffen. ‘Het doel van den heer de Liefde is, onze jongelingschap en jonge dochters te stemmen tot hartelijken dank jegens God en den Heer Christus, voor de groote voorregten hun verleend en hunne belangstelling op te wekken in de bekeering Israels en der Heidenen. Inderdaad gewigtig doel en voegen wij er bij, in de wijze, waarop de heer de Liefde dat doel heeft zoeken te bereiken, is hij niet ongelukkig geslaagd. Er is veel wetenswaardigs voor jongelieden in dit werkje opgenomen; het laat zich met genoegen lezen en wordt niet weinig versierd door de goed uitgevoerde plaatjes aan hetzelve toegevoegd’, aldus De Tijd, merkwaardigheden der letterkunde en geschiedenis van den dag in 1852.

Over de derde druk, verschenen in 1883, schreef De Standaard: ‘We herinneren ons nog levendig met wat genot we als kinderen dit boek lazen. Als de jeugd thans niet zeer verschilt van de vroegere, zal ook zij dat doen. De Liefde toch verstond de, helaas zoozeer zoek rakende kunst van vertellen uitnemend.’

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter