Meertaligheid en literatuuronderwijs

Door Yves T’Sjoen

De Internationale Vereniging voor Neerlandistiek verwoordt haar standpunt over de studie van het Nederlands in NRC (27 maart 2019), recent opgenomen in de IVN nieuwsbrief (april). Met de titel ‘Stop met dat ge-Calimero, Nederlands is geen kleine taal’  lees ik in een ronkende volzin: “wie de eigen taal geen plaats gunt in een internationale context, die doet zichzelf ernstig te kort”. We moeten bij wijze van “eerste stap” een “Calimero-mentaliteit” afwerpen. Vraag is of wij ons inderdaad met zijn allen, lezers van deze blog, in een egelstelling bevinden. We lezen vooral veel oproepen en voorstellen van universitaire neerlandici (taal- en letterkundigen, vakdidactici), leerkrachten, studenten en scholieren. Het vakgebied is in beweging, beraadt zich. Dat is goed.

Wat merken we van die IVN-oproep voor “een radicaal internationaliseringsoffensief” in opleidingen Nederlands aan universiteiten in het moedertaalgebied, de zogeheten intramurale neerlandistiek? Waar is het “internationaal curriculum”? In zoverre ik het overzie wordt Nederlandse literatuur maar beperkt in een internationaal perspectief onderwezen.

Taal- en letterkundeopleidingen aan Vlaamse universiteiten hebben een aanzienlijk surplus ten opzichte van vergelijkbare academische studierichtingen in Nederland. Studenten opteren voor een talenpakket, dat wil zeggen de wetenschappelijke studie (taal- en letterkunde) van twee talen. De meeste studenten met een bachelordiploma taal- en letterkunde kiezen vervolgens meestal voor een gespecialiseerde masteropleiding van beide talen. Vroeger, voor de implementering van het Bolognadecreet (bachelor/master), kozen studenten in Gent, Leuven, Antwerpen, Brussel en Hasselt voor de combinatie van telkens twee Germaanse, Romaanse of klassieke talen.

De taal- en literatuurstudie vandaag biedt gezien de opleidingsarchitectuur ongekende mogelijkheden, onderzoeksperspectieven die na ruim tien jaar wellicht onvoldoende zijn geëxploiteerd. Studenten met belangstelling voor Nederlands bestuderen te onzent dus ook de taal- en letterkunde van een andere Germaanse taal en bekwamen zich in de taalvaardigheid, of zij combineren met een Romaanse of klassieke taal. Teneinde de kennis van het taalsysteem en de letterkunde te verdiepen en taalcompetenties te vervolmaken, volgen steeds meer jonge mensen gedurende een semester, gesteund door een Erasmusbeurs, colleges in het buitenland. Vanuit letterkundig opzicht presenteert een academische twee-talenstudie impulsen voor een bredere inter- of transnationale kijk op literaire fenomenen. Wie de Nederlandse literatuur bestudeert, volstaat al lang niet meer met een eenzijdige, uitsluitend op het taal- en cultuurgebied gerichte aandacht, met alleen teksten uit de Nederlandstalige canon. In een context van meertaligheid en interculturele relaties, vroeger en nu, is het vakgebied gebaat bij een supranationale benadering. Niet alleen wordt optimaal ingezet op kennis en kunde op het gebied van twee talen. Door poëtica’s en esthetische paradigma’s vanuit meertalig perspectief te verkennen, met oog voor soortgelijke fenomenen in anderstalige literaturen en culturen, kan de particulariteit van Nederlandse literatuur méér in reliëf worden geplaatst. Het ligt voor de hand binnen een veeltalig onderzoekskader het concept van wat doorgaans met ‘Nederlandse literatuur’ wordt aangeduid, bijvoorbeeld in opleidingscurricula, niet langer eng-nationalistisch of mono-linguïstisch op te vatten. Studenten Nederlands die Frans opnemen in het studiepakket onderzoeken bijvoorbeeld neoclassicistische tendensen in Nederlandse en Vlaamse interbellumpoëzie met dichtbundels van Francis Jammes, Charles Péguy en Paul Verlaine of werk van de ‘mouvement fantaisiste’ (Derème, Pellerin, Toulet) in de achterzak. Wie het Revisorproza of de Rasterpoëzie verkent, leest idealiter vanuit comparatief standpunt ook anderstalige schrijvers van het High Modernism (Borges, Cortázar, Gombrowicz, Joyce, Kafka, James, Rilke). Lezen we ‘Awater’, dan ook The Waste Land, Buysse en Zola, Van de Woestijne en De Régnier, Marsman en Stramm. In hoeverre onderscheiden Nederlandse schrijvers zich van Vlaamse tijdgenoten die doorgaans in hetzelfde literatuurhistorische hokje worden geplaatst? Is er een variant in ons cultuurgebied van esthetica’s die zich op hetzelfde ogenblik, vroeger of later, ook in buitenlandse literaturen hebben gemanifesteerd? Dergelijke vragen en keuzes maken de Nederlandse literatuurstudie spannend en relevant. Onze studenten worden idealiter in die richting opgeleid, taalgroep-overschrijdend. Het is zelfs de visie van de opleiding. Waarom zien we dat in het curriculum niet terug, zo radicaal en resoluut als het hier is geformuleerd?

Studenten Nederlands met belangstelling voor expressionisme en contemporaine literaire avant-gardes zijn vertrouwd met eigentijdse Duitse humanitaire poëzie, werk van dadaïsten en futuristen. Het DNA van de taal- en letterkundige opleidingen aan Vlaamse universitaire instellingen is internationaal. De studie is gericht op een horizonsverruiming van de student. Voor (de toekomst van) de letterkundige neerlandistiek is het een noodzaak in te zetten op relaties en contacten met, invloeden van en referenties aan buitenlandse literatuur. Op die manier komen voor hedendaagse studenten, met een universitaire opleiding in het hart van Europa, vanuit diachroon en synchroon perspectief literaire ontwikkelingen in het Nederlandse taalgebied in een meertalig, cultureel divers en multiperspectivistisch daglicht te staan. De neerlandistiek is per definitie internationaal: ook vertaalde teksten en buitenlandse schrijvers, deelgenoot van het vertoog over literatuur in het Nederlands, behoren tot het domein van de Nederlandse letterkunde. Het is overigens nog steeds wachten op een ambitieuze Europese literatuurgeschiedenis. Er is zelfs geen Belgische literatuurgeschiedschrijving voor handen. Er liggen ongelooflijke kansen voor het grijpen die vandaag niet worden benut, bijvoorbeeld naar aanleiding van krimpende studentenaantallen, programmaherzieningen en de kramp (self-fullfilling prophecy?) waarin het vakgebied zich zegt te bevinden. Het is al vaker gesteld: de neerlandistiek is een kleurrijk verkaveld landschap met, in vergelijking met decennia geleden, een ongekende dynamiek, veelzijdigheid op het gebied van methodiek en interdisciplinariteit. In letterkundige opleidingen maken we evenwel nog steeds te weinig gebruik van perspectieven die er zijn: samenwerking met neerlandici buiten het taalgebied, méér uitwisseling van studenten in beide geografische richtingen, en op het gebied van de vakinhouden en leerlijnen: het internationaal perspectief. In een Europese context, in de Europese Unie met veel talen en interartistieke contacten, is het een gemiste kans aan universiteiten de studie van de Nederlandse literatuur niet van meet af aan in een Europees en zelfs globaal perspectief te plaatsen. Door bewust de kaart te trekken van een internationaal lees- en onderzoekskader in meertalige opleidingen, en bijgevolg de smalle op taal en geografie gemunte opvatting van Nederlandse literatuur open te gooien, zullen docenten en studenten de blik niet alleen verruimen. Nederlandse letterkunde moet de uitdaging aangaan en zal meer dan ooit relevant en urgent zijn. Omdat ze beslist méér is dan de studie van Nederlandse literatuur. Ik ben het eens met de IVN: “Plaats de Nederlandse taal en literatuur tegen de achtergrond van internationale onderzoekstradities; onderzoek de dynamiek tussen het Nederlands en andere talen en culturen”. Laten we inderdaad inzetten op “aankomende neerlandici [en laat ze] uitgroeien tot zelfbewuste, globale specialisten die kunnen aansluiten bij en opereren in het wereldwijde netwerk”. Ik voeg er graag aan toe: begin met grondige kennis van de Nederlandstalige literatuur en verbreed in de opleiding de focus. Meertaligheid is daarvoor het instrument. Het zijn nobele desiderata die ik node mis in de opleiding Nederlands die wij de studenten aanbieden.

Dit bericht is geplaatst in column. Bookmark de permalink.