Leidt schoolvorming in de taalwetenschap nergens toe?

Door Marc van Oostendorp

Martin Haspelmath is een van de interessantste taalwetenschappers van dit moment en bovendien een blogger, onder andere vanwege zijn volstrekte eerlijkheid en onafhankelijkheid. Hij vertelt hoe hij denkt dat de zaken in elkaar zitten, los van wat zijn gesprekspartners er eventueel van vinden.

Dat is misschien wel de belangrijkste kwaliteit van een (geestes)wetenschapper. Ik zou zeggen: dat is de reden waarom een samenleving wetenschappers zou moeten betalen, om in ieder geval een paar mensen te hebben die onder alle omstandigheden durven te zeggen waar het op staat.

En de omstandigheden zijn volgens Haspelmath niet zo gunstig.

Gedebatteer

Hij legt in deze blogpost wat volgens hem een van de problemen is: er is weinig of geen vooruitgang: er zijn weinig of geen kwesties waarover dertig jaar discussie bestond en die nu zijn opgelost naar tevredenheid van een duidelijke meerderheid van de taalkundigen:

I often find it difficult to understand what goals my colleagues are pursuing. The sad truth is that general linguists often talk past each other, unless they belong to pedigree-based communities – and even within such communities, there is no clear sense of progress. Many papers written 30 or 40 years ago are not clearly outdated, except to the extent that they addressed very narrow concerns. But none of the larger issues that were discussed half a century ago have been resolved.

Dat is een ernstig verwijt, want het is natuurlijk wel de bedoeling dat al die eerlijkheid en al dat gedebatteer leidt tot inzicht. En je kunt niet zeggen dat je een inzicht hebt bereikt als tal van collega’s de dingen anders blijven zien. Een echt inzicht moet toch op zijn minst voor een grote groep collega’s overtuigend zijn. Als er over geen enkele kwestie zulke overeenstemming is, is er een probleem.

Haspelmath behandelt verschillende voorbeelden en als je zelf niet zo erg in de syntaxis bent ingevoerd (zijn interessegebied), zijn die misschien niet heel goed te volgen. Hier is er een. In de leer van hoe woorden zijn opgebouwd, de morfologie, (leerbaar heeft overeenkomsten met leren, leerling en leraar maar ook met maakbaar en onzegbaar), zijn er twee mogelijkheden (Voor de lezers van zijn blog: Haspelmath noemt er drie, maar ‘realizational models’ laat ik nu maar even zitten).

Elegant

De eerste mogelijkheid is dat in het woordenboek van de taal allemaal kleine brokjes zitten, vaak morfemen genaamd, zoals leer, maak, zeg, baar, ling en aar. Verder zijn er regels die deze stukjes aan elkaar kunnen voegen tot nieuwe woorden: leer plus baar betekent leerbaar.

De andere mogelijkheid is dat we in het woordenboek alleen hele woorden hebben zoals leerbaar, leerling en maakbaar. Bovendien hebben die woorden relaties met elkaar. Bij leerbaar staan verwijzingen naar leerling en maakbaar: het lijkt op de eerste in de zin dat het iets te maken heeft met een activiteit van de hersenen, het lijkt op de tweede in de zin dat het gaat over een mogelijkheid.

Die mogelijkheden worden allebei modellen genoemd en hebben allebei hun aanhangers. Er wordt al decennia over gediscussieerd. Hoe zit het nu echt? Het blijkt er maar vanaf te hangen wat voor argumenten je accepteert, en (dit zegt Haspelmath niet, maar dit zeg ik) wat je bedoelt met ‘hoe het echt zit’. Is bijvoorbeeld de fysieke organisatie van de hersenen maatgevend omdat de taal daar ‘echt’ zit? Geldt als argument dat je zo de elegantste beschrijving van de grammatica van een bepaalde taal maakt, of dat je alle grammatica’s zo elegant kunt beschrijven, omdat je grammatica’s ziet als wiskundige systemen? En wat bedoel je dan precies met elegant?

Andere kwesties

De oplossing is, zoals vaker in de geesteswetenschappen, schoolvorming. De ene groep neemt aan dat er morfemen bestaan, de andere dat er woorden bestaan. Allebei de groepen vinden dat de andere groep het verkeerd heeft, en als ze moeten oordelen over de publicatie van een tijdschriftartikel of een subsidieaanvraag, schrijven ze vernietigende kritieken. Soms is er ook serieuze discussie, maar die leidt nergens toe omdat de uitgangspunten te verschillend zijn.

Haspelmath is een idealist die zich verkleedt als pessimist. Hij zegt: die schoolvorming leidt nergens naartoe. Zijn oplossing uit de crisis: laten we nu eerst een proberen met elkaar precieze definities te maken van waar we het precies over hebben. Zo bouwen we dan een gewone wetenschap (‘normal science’) van de taal. Ik denk dat hij daarin te optimistisch is, en dat hij dus over het hoofd ziet dat er nu eenmaal heel verschillende ideeën zijn, ook onder wetenschappers, over wat taal precies is – iets in de hersenen of een wiskundig object, of een verzameling afspraken binnen een taalgemeenschap, of een eeuwigdurend spel van aantrekking of aanstoting, of wat dan ook. Zolang daar geen overeenstemming over is, lukt het denk ik ook niet om wel overeenstemming te krijgen over andere kwesties.

Schoolvorming is dan helemaal niet zo slecht, zolang verschillende scholen maar proberen elkaar te begrijpen.

Synthetiseren

In de natuurwetenschappen – want die zijn natuurlijk altijd model voor ‘gewone’ wetenschap – is deze fundamentele kwestie op een bepaald moment opgelost. Je kunt de natuur natuurlijk ook op allerlei manieren beschouwen, maar op een bepaald moment heeft men ontdekt dat één van die manieren – die we nu als ‘de’ wetenschappelijke beschouwen, nu eenmaal de succesvolste was, in de zin dat hij de beste theorieën opleverde. Andere manieren van de natuur zien – bijvoorbeeld als één groot, bezield verband – bleven wel bestaan, maar vielen gaandeweg buiten de wetenschap. Dat betekent niet dat ze niet waardevol zijn en zelfs niet dat ze niet waar zijn, maar dat ze eenvoudig niet bruikbaar zijn gebleken om de wetenschappelijke methode op toe te passen.

In die zin is het probleem dat er nog niet één grote, overkoepelende visie op taal is die een dergelijke doorbraak heeft bewerkstelligd. Althans, binnen individuele scholen wordt daar anders over gedacht en ik denk dat Haspelmath echt te pessimistisch is, omdat er binnen enkele van die scholen ook wel degelijk vooruitgang is geboekt. Uiteindelijk moet er een visie komen die het beste van deze scholen weet te synthetiseren, maar op dit moment zijn er geen tekenen dat iemand weet hoe je dat precies zou moeten doen.