‘Laten we hem voor het gemak geloven’

Joost de Vries en de ondergang van de cultuur

Door Marc van Oostendorp

Dat Karel van het Reve nog eens tot een hoogtepunt van de Nederlandse beschaving zou worden verklaard, hét voorbeeld van hoe erudiet men vroeger was, dat had je toch dertig jaar geleden ook niet kunnen denken. Het is waar, de man was hoogleraar in een provinciestadje en hij heeft waarschijnlijk veel boeken gelezen. Tegelijkertijd had hij in zijn essays altijd iets nonchalants waar het ging om kennis, iets dat balanceerde op de rand van luiheid. Regelmatig komt het voor dat hij in zijn essays schrijft dat hij iets niet precies weet, en iedere keer denk je dan als lezer: maar had dat dan even opgezocht, Karel!

Dat Joost de Vries hem in zijn essay Echte pretentie wél als een strenge hoeder van het culturele erfgoed afschildert, zegt ook iets over De Vries’ eigen stijl:

Als je de verhalen mag geloven was Karel van het Reve niet de meest joviale, toegankelijke hoogleraar, en toch schreef hij in zijn essay ‘Zie ook onder Mozes’ dat hij weleens met zijn studenten in het café belandde. Laten we hem voor het gemak geloven.

‘Als je de verhalen mag geloven’? ‘Voor het gemak’? Maar had dat dan even opgezocht, Joost!Je kunt als essayist natuurlijk ook wat bronnen raadplegen. Van het Reve was in de jaren tachtig nog actief als hoogleraar, er zijn nog mensen in leven die hebben meegemaakt dat hij in een café zat. Het is niet moeilijk hen te vinden. Ik ben zelf in die cafés geweest; niet dat ik aan mét Van het Reve in het café zat, maar ik heb hem er regelmatig gezien, met altijd hetzelfde plastic tasje. ‘Joviaal’ was hij misschien niet, maar redelijk toegankelijk geloof ik wel.

Wat kopen we voor zo’n speculatie als de schrijver een en ander ook had kunnen uitzoeken?

Van het Reve had er aardigheid in om zich een beetje onnozel voor te doen. Alleen al om die reden is hij geen goed voorbeeld van het soort ‘pretentie’ waarover De Vries schrijft, de neiging om te laten zien hoe goed je op de hoogte bent van wat cultureel correct is. Wel vond Van het Reve het interessant om in kaart te brengen wat je als ‘ontwikkeld mens’ geacht werd te weten, maar hij hoorde volgens mij al duidelijk tot een tijd die afstand nam van die pretentie.

Als de tijd dat mensen zonder ironie streefden naar culturele bagage al ooit heeft bestaan.

En als hij nu al niet meer bestaat.

De Vries overdrijft niet alleen over de periode van pakweg dertig jaar geleden, maar voor het heden overdrijft hij omgekeerd hoe waardeloos zulke canonieke kennis moet zijn. Voor het gemak neemt hij dus aan dat Karel van het Reve toen hij in het café zat een keer voor een studente een lijstje met Latijnse spreuken had opgesteld die je als ontwikkeld mens diende te kennen zoals (mens sana in corpore sano en de mortuis nil nisi bene). Ik denk dat het eigenlijk nog steeds aan te raden is om zulke zinnetjes te kennen.

Het gekke is dus dat De Vries veel meer ‘pretentie’ heeft dan Van het Reve, hij neemt al die kennis zo te zien heel serieus. Tegelijkertijd bekijkt hij in dit essay nauwelijks kritisch naar welke kennis hij zelf heeft. Ik vind het bijvoorbeeld curieus dat hij eigenlijk alleen Nederlandse en Angelsaksische (lees: Amerikaanse) schrijvers noemt, naast een paar obligate referenties aan de internationale canon (Anna Karenina, Flaubert). Ik ben, kortom, eigenlijk niet zo onder de indruk van de eruditie die De Vries hier als pretentie opdient.

Ik geloof eigenlijk dat er iets hoort bij de échte pretentie dat aan De Vries’ opstel ontbreekt: nonchalance. Je hebt die kennis niet om indruk te maken, je hebt hem nu eenmaal, en soms je kunt daarom net doen alsof je hem helemaal niet hebt.

Joost de Vries. Echte pretentie. Waarom het zo irritant is en waarom we niet zonder kunnen. Amsterdam: Das Mag, 2019. Bestelinformatie bij de uitgever.