Ik voel dit aan myzelf, hoeveel trotscher, flinker ik gestemd ben wanneer ik werk, dan als ik mymerend ronddool.

De Multatulileescursus (25)

Door Marc van Oostendorp

– Wat mij ineens opviel: hoe aardig Multatuli ook kon zijn. Als hij niks van de mensen moest, kon hij ze buitengewoon hoffelijk bejegenen.

– Zeker, de ellende begon als hij ze nodig had, dan werd hij een lastpak.

– Ja, de brieven uit 1867! Het moet een naar jaar voor hem zijn geweest, hij zat daar in Duitsland in een soort ballingschap omdat hij niet naar Nederland kon vawege die kleine gevangenschap die hem boven het hoofd hing. Ondertussen zaten Tine en de kinderen in Milaan. En voor het geld moest hij die saaie stukjes schrijven over wat er allemaal in de Duitse kranten had gestaan.

– En toch bleef hij dus aardig.

– De brief aan die molenaarsknecht met de onsterfelijke naam Klaas Ris:

Waarde Ris, het deed my indedaad genoegen iets van u te hooren, schoon ik liever gunstiger berigten van u ontvangen had dan dat uwe vrouw en dochter lydende zyn. Leven is tobben! Als er een God was (hetgeen ik, zooals gy weet, ontken) zou hy zich moeten schamen.

– Die brief is zelfs los van die aardigheid steengoed, vind ik. Hij zet uiteen wat hij tegen de arbeidersbeweging heeft: ze verzetten zich tegen de verkeerden, tegen de patroons die vaak dezelfde problemen hebben als zijzelf. Terwijl ze zich moeten keren tegen de speculanten, degenen die rijk worden door niets te doen.

Maar ook de (zoogenaamd) geringe stand maakt dikwyls onbillyke aanspraken. Zy willen met de anderen maaien, zonder meê gezaaid te hebben. Onder de mee-maaiers zyn er velen die ook niet zaaiden. Dit is zeer onbillyk, maar het geeft aan anderen het regt niet om aantedringen op dezelfde onbillykheid. Eene onregtvaardigheid wordt niet hersteld door haar uittebreiden, maar door haar te vernietigen

– Wel een beetje gemakkelijk gezegd misschien? Hoe moest zo’n molenaarsknecht precies de speculanten aanpakken?

– Wat mij betreft, ik onderschrijf echt zonder reserve alles wat Multatuli in die brief zegt. Dat arbeiders ook niet echt heiligen zijn, en dat ze vooral ook niet zo moeten klagen, maar hun lot in eigen hand nemen.

– Moet je horen wie dat zei! De grootste klager van de Nederlandse letteren!

– Nu, je kunt moeilijk zeggen dat hij zijn lot niet in eigen handen nam.

– Ik vind zo’n passage als deze om in te lijsten.

Die 99/100 staan achter de spelers als lakeien in de zaal te Homburg, en wachten met lakeiachtige onderdanigheid of er iets afvalt van de winst. Dit vernedert. Arbeid (in anderen zin dan ’t oprapen van de toe gesmeten guldens) voortbrengende, scheppende arbeid zou veredelen, aanspraak en geschiktheid geven tot meeoordeelen. (Ik voel dit aan myzelf, hoeveel trotscher, flinker ik gestemd ben wanneer ik werk, dan als ik mymerend ronddool.)

– Het weerspiegelt precies wat ik denk: wat je iedere mens gunt is ‘voortbrengende, scheppende arbeid’. Als er een partij was die daarvoor pleitte, zou ik erop stemmen, wat hun standpunten ook verder waren.

– En dat hij die Ris adviseert om ook gewoon hard te werken. En dan volgt er een passage die volgens mij heel onthullend is voor Multatuli’s ideeën over taal:

Waarom hebt ge niet sedert lang u toegelegd op wat schoolsche vaardigheid, een nietigheid als ’t kleed dat onze naaktheid bedekt, maar dat we niet missen kunnen. Leer goed spellen. Volg my niet. Ik schryf anders dan anderen, uit wrevel tegen schyngeleerdheid. Om zich dat buitengewone te veroorloven, moet men het gewone zyn doorgelopen. U raad ik aan, het gewone u eigen te maken, opdat niet uwe, meestal zoo goede gedachten aan de deur worden afgewezen als een slecht gekleedde bedelaar. Gy denkt te juist, om zoo slordig uw gedachten aantekleeden. Het ontneemt de waarde aan veel goeds, en geven schyn van overwigt aan anderen die niet of slecht denken, doch meester zyn van de vorm.

– Wat raar.

– Om deze passage te begrijpen, moet je geloof ik weten dat in deze tijd de spellingdiscussie net een beetje ten einde kwam tussen de aanhangers van Siegenbeek, die voor een eenheidsspelling waren (zoals iedereen dat tegenwoordig is) en die van Bilderdijk (die vonden dat genieën zich bepaalde verfraaijingen mochten veroorloven).

– Hé, een college!

– Multatuli’s opvatting leek een beetje op die van Bilderdijk, blijkens deze passage: hij vond dat hij als schrijver bepaalde dingen mocht die een molenaarsknecht zich beter niet kon veroorloven.

– Quod licet Jovi non licet Klaas Ris.

– Tegelijkertijd waren Multatuli’s afwijkingen niet gebaseerd op al dan niet zelfverzonnen etymologie of andere randgeleerdheid, maar op pogingen om zo ‘natuurlijk’ mogelijk te zijn.

– Wie wil er nog wat drinken?

– Hebben jullie trouwens gezien dat hij later dat jaar ook een brief schreef aan niemand minder dan Te Winkel? Ook al zo aardig!

– Te Winkel?

– Van de spelling De Vries en Te Winkel, die aan het geharrewar tussen Siegenbeekianen en Bilderdijkianen een einde moest maken.

– Heb jij daar niet eens over geschreven, over de relatie tussen Multatuli en Te Winkel?

– Dat de eerste beweerde ‘verliefd’ te zijn op de tweede? Dat schreef hij aan Huet, toch?

O, O, denk eens welke kennismaking my het innigste genoegen heeft gedaan? Dat raadt gy nooit! Ik ben puur verliefd op Dr te Winkel. Die man is zoo innemend vind ik, en ik sprak zoo gaarne met hem, dat ik om die kennismaking alleen myn heele reis niet betreur

– Ja, de brief die Multatuli aan Te Winkel schreef, lijkt in 1867 inderdaad zo’n beetje zijn enige liefdesbrief te zijn.

Daar ik U zoo goed en vriendelyk vond, sneed het my door de ziel, dat ik gefulmineerd heb op uw woordenboek. Zietge, in oogenblikken van opwekking ben ik verwaand, en meen alles beter te weten, en dan word ik driftig tegen ieder die my (genie, d.i.: een professer zonder tractement) wil vertellen hoe ik spellen moet. Maar ook in minder verwaande stemming, in ‘heele fatsoenlyke’ buien denk ik over spelling en taal geheel anders dan – byna iedereen.

– Ja, de spelling is wel een thema voor Multatuli in die jaren. Niemand moet hem vertellen hoe hij spellen moet, maar ondertussen vertelt hij dus wel aan anderen hoe ze spellen moeten. Niet alleen Klaas Ris, maar ook zijn eigen zoon moet eraan geloven:

De brieven van myn ventje zyn curieux. Ik zie in dat er een strenger opzigt noodig is, om hen te dwingen tot wat oefening in het gewone. Hij bemoeit zich met sterrekunde, ontleedkunde, botanie – que saisje! maar kan nog altyd niet behoorlyk spellen. Myn grieven daarover zyn doodelyk voor my.

– Ook verder heeft hij over taal nog allerlei gedachten…

– … sorry, het wordt al laat…

– Alleen dit nog! Verder heeft hij dus over taal…

– Ja, ik weet hoe het is als jij over taal begint: dan zitten we hier morgen nog.

– … allerlei gedachten, die soms helemaal niet zo gek zijn. Waar zo’n beetje in de negentiende eeuw panisch wordt als hij maar een Duits leenwoord aan ziet komen, zegt Multatuli doodleuk, volgens een verslag van een lezing die hij ergens geeft:

Spreker is van gedachte, dat men niet te veel luisteren moet naar die geleerden, die den veto uitspreken over het gebruik van de rijkdommen, welke de vreemde verwante talen ons aanbieden; wij moeten toegevend zijn in het toestaan van burgerrecht aan goede uitheemsche uitdrukkingen, die in onze taal ontbreken, en ter staving van zijne zienswijze haalt hij eenige Hoogduitsche woordvormen en zinwendingen aan, waarvan eenige in onze letterschat eene ware leemte zouden aanvullen.
Waar is het woord, waarmede wij het Hoogduitsche ermöglichen zoo bondig teruggeven kunnen? Wat hebben wij voor rechtsanschauung, en het schilderende schrittweise? Is het woord betheiligen niet veel korter dan ons: aan eene zaak deelnemen? Verdient het laconieke anfangs niet de voorkeur op ons: in den beginne?

– Ja, hij woonde duidelijk al een tijdje in Duitsland. In de Indische jaren, en daarna, kon hij als hij aan Tine ook niet zonder kassian in zijn schrijfstijl.

– Ik was hier dus al bang voor. Ik moet morgen weer vroeg op, he? Jullie mogen nog wel even doorgaan, maar wat lezen we voor volgende week.

– Het lijkt me nu tijd voor Een en ander over Pruisschen en Nederlandhet enige werk dat hij dat jaar publiceerde.

– Zijn we het daar allemaal mee eens?

– Het is niet zo’n lange tekst. Ik zou willen voorstellen dat we daar dan ook het artikel bij lezen dat Busken Huet in hetzelfde jaar over die brochure van Multatuli schreef.

– Ik vind het allemaal best. Mag ik dan nu gaan slapen?

 

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , , . Bookmark de permalink.