Gedicht: Jules de Corte • Koninginnedag 1958

Koninginnedag 1958

Die morgen liep mijn dochtertje op straat,
met twee oranje strikken in het haar.
En in haar hand een vlaggetje van feest.
Zij zong een liedje op de mirliton.
De zon wou niet echt schijnen,
maar de wind blies zacht en mild omdat het lente was.
En boven de geluiden van de straat
zong zij haar liedje, zo ontroerend blij,
Dat buurvrouw vroeg: ‘Moet je een snoepje schat?’

Want buurvrouw is wel goed en buurman ook,
en ik denk wel alle mensen die ik ken
En ik denk wel alle mensen in dit land.
En op de grote wijde wereldbol,
is niemand die de kinderen drijven wil
van bergen leed naar dalen vol verdriet.
En niemand is er die zijn nageslacht
van ganser hart’ zou willen zien verminkt
Toch zijn er met de vinger aan de knop
Aan deze en ook aan de andere kant

Die morgen liep mijn dochtertje op straat
met twee oranje strikken in het haar
en in haar hand een vlaggetje van feest.
Sta op en zeg het heel de wereld rond,
dat niemand ooit zal drukken op de knop,
dat niemand onze kinderen doden zal.
Want heeft er één een hart van echt beton?
Of is ook een dictator ergens klein?
Laat hem dan tussen ons in gaan staan
en zeggen dat ook hij de dood niet wil,
maar leven in een goed en veilig land,
met ons tot aan het einde van de tijd.
Niet een die weet hoe moe en bang we zijn.
Niet een die weet waarheen de mensheid gaat,
naar nieuwe bloei of naar de vuilnisbelt.

Jules de Corte (1924-1996)
uit: Liedjes (1960)

———————————–