Een knal gelijk klinkt het ruwe vloekwoord van den matroos door ’s heeren Bosscha’s welgemeubelde vertrekken

De Multatulileescursus (26)

Door Marc van Oostendorp

– Ik heb ontdekt dat één reden waarom ik van het werk van Multatuli houd is dat ik dol ben op commentaar.

– Zoals het werk dat we deze week gelezen hebben, Een en ander over Pruisen en Nederland, commentaar is op een brochure van J. Bosscha over … de relatie tussen Pruisen en Nederland.

– Hadden jullie gezien dat die brochure ook op internet staat? Bij Het Geheugen van Nederland?

– Net als het commentaar dat Busken Huet dan weer schreef op Multatuli’s stuk.

– Nooit eerder was het zo makkelijk om al die stukken te lezen. Zelfs in Multatuli’s eigen tijd had je ze niet zo gemakkelijk bij elkaar.

– Maar luister nu, het zijn niet alleen deze verschillende brochures. Multatuli voegde ook graag later nog voetnoten in, ook in deze brochure heeft hij dat gedaan, met commentaar op zijn eigen werk. Zoals hij ook voortdurend verwijst naar zijn eigen eerdere werk, en al zijn geschriften dus commentaar zijn op al zijn eerdere geschriften.

– En wat is daar zo mooi aan?

– Het is een vorm van denken, een ‘misschien is niets geheel waar en zelfs dat niet’, voortdurend de dialoog zoeken.

– Tegelijkertijd maakt hij die Bosscha wel met de grond gelijk in deze brochure.

– Nou, in zekere zin probeert hij hem juist in ere te houden. Bosscha was kennelijk een bekend politicus en een geleerde. In zijn brochure probeert hij Nederland uit te leggen welk gevaar er nu eigenlijk te duchten is van het Pruisen van Bismarck. En dan wil hij iedereen vooral geruststellen. Het zal zo’n vaart niet lopen…

– Precies, en met ‘het zal zo’n vaart niet lopen’ was je bij Multatuli aan het verkeerde adres! Die begint er enorm op in te hakken, en laat zien dat een heleboel van die argumenten van Bosscha ‘frasen’ zijn. Dat Bosscha bijvoorbeeld zegt dat Pruisen wel zal uitkijken om Nederland aan te vallen, omdat het zoveel handelsbelangen heeft.

Ik geloof niet dat wy zaken doen met Abyssinië, en zou dus voor Abyssinischen invloed of veroveringszucht minder bevreesd zyn, maar ’t omgekeerde, hoe men dóór ‘zaken’ met elkander te doen, van lieverlede geraakt tot het doen van zyn eigen zaken, leert dunkt my de ondervinding. Ik weet niet of er aan het hof des Sultans van Bantam brochureschryvers waren, maar ik geloof dat men ’t daar vreemd zou gevonden hebben, als een gewezen mantri of penghoeloe het volk omtrent de veroveringszucht der Hollanders had willen gerust stellen door de opmerking dat die natie Bantamse peper kon gebruiken.

– Ja, maar meteen daarna laat Multatuli zich wel gaan en trekt hij de redenering tot in het absurde door terwijl hij zichzelf vrijpleit door te zeggen dat het eigenlijk niet mag wat hij doet:

Als wy Bosscha’s stelling omkeren (wat niet altyd mag, dat weet ik wel, maar gesteld eens), zouden wy byna tot de conclusie komen dat er een inval van Maanbewoners voor de deur stond, omdat we nooit koffie expediëerden naar die planeet.

– Ja, dan heeft hij het ondertussen tóch maar gezegd. En is zijn brochure ook weer vol.

– Uiteindelijk gaat deze hele brochure echter over slapheid. Hij zegt: nou, als de Pruisen hier eenmaal voor de deur staan, kunnen we wel inpakken, want het Nederlandse volk ligt alleen maar te slapen en wentelt zich in frasen.

– Ja, die stukjes waar hij zich hartstochtelijk verzet tegen het gebrek aan hartstocht, die zijn geweldig.

Er is een kleinheid, een bekrompenheid van oordeel, die ons hele land niet ongelyk maakt aan ’t dorpsbrugje waar de boeren zondag-namiddag hun praatbeurs houden, om uit te maken of ’t horloge van Kees goud is of spinsbek, of Klaas schuld heeft aan de bevalling van Griet, of de bef van den dominee wel breed genoeg was, en of ’t de dochters van Michiel wel past hoeden te dragen ‘krek als de vrouwlui in stad’? Borrelpraat! En spreek daartegen, redeneer, betoog, kweel liefelyk of donder bars tegen dat gewawel in, of zwyg zelfs, wat al heel dikwyls de beste wyze van spreken is, het mag alles niet baten: ‘Jae, ’t zou toch wel konne wezen, zie je, det Klaes er skuld an hadde.’ In Godsnaam! We willen voor Klaas hopen dat hy zich wete te redden.

– Interessant is ook wel die boerentaal die hij hier gebruikt. Dat doet Multatuli verder niet veel, want hij is eigenlijk een stadsschrijver, ondanks zijn ervaringen in Indië. Die boeren lijken hier een soort oostelijk Nederlands te spreken.

– Dat is decennia het cliché geweest in de Nederlandse literatuur: vanaf de zeventiende eeuw tot eigenlijk de dag van vandaag praten boeren altijd oostelijk Nederlands.

– Terwijl er natuurlijk ook in Holland of Brabant boeren wonen.

– Maar is dit juist niet eerder Zeeuws?

– Mag ik de sociolinguïsten verzoeken wel even bij de les te blijven?

– Excuus, je hebt gelijk. Hij keert zich trouwens af en toe ook wel degelijk tegen Bosscha zelf, ook als iemand die slap is.

Geen wiegelied veroorzaakt wakkerheid. Daartoe is ’t schel geluid nodig van de trompet, en by gebreke daarvan of onvoldoendheid, een stomp, een stoot, hevige schudding. En de slaapdronkene moge toornig zyn over ’t verstoren van zyn rust, misschien verandert die toorn in dankgevoel, wanneer hy later inziet dat er welwillendheid lag in de ruwheid waarmee men hem aanvatte.

– Ja, het is een groot pleidooi tegen ‘luiheid van verstand en hart’. Hij wil ook echt doordringen in Bosscha, hij wil hem beter snappen dan Bosscha zichzelf snapt. Zijn commentaar verheldert eigenlijk wat Bosscha ook wil laten zeggen. Bijvoorbeeld laat hij zien dat Bosscha zelf het gevaar wel degelijk zag, en dat je dat kunt lezen als je al zijn geruststellende ‘frasen’ goed onder de loep legt.

– Dat er dan weinig reden voor gerustheid over was. Dat Pruisen wel degelijk een gevaar was.

– Toch had Bosscha achteraf gelijk. Pruisen heeft Nederland niet aangevallen.

– Ja, omdat ze drie jaar na deze brochure de handen vol hadden aan een oorlog met Frankrijk. Wat Multatuli overigens ook voorziet, maar Bosscha niet.

– Het is al laat, maar ik wilde het nog even hebben over het commentaar van Busken Huet hier dan weer op.

– Ja, we hebben vorige week al in de brieven gelezen dat Multatuli heel blij was met dat commentaar. Hij voelde zich echt gegrepen.

– Busken Huet is dan ook heel lovend over Multatuli.

– En tegelijkertijd leest hij toch ook wel heel scherp. Hij begint al meteen te vertellen dat Multatuli wel wat lang van stof was:

Van Luther’s drie lessen voor den volksredenaar:

Trete frisch auf,
Thue das Maul auf,
Höre bald auf, –

is de laatste in Een en Ander even onbedachtzaam door den heer Douwes Dekker in den wind geslagen, als hij de tweede en de eerste, de eerste vooral, op voorbeeldige wijze ter harte genomen en in praktijk gebragt heeft.

– Ja, en mooi is ook zijn analyse van de functie van het woord godverdomme dat daar toch maar mooi staat.

– Is dat de eerste keer in onze literatuur?

– Het zou me niet verbazen. Multatuli bespreekt hoe Bosscha allemaal fraaie praatjes heeft over wat we wel niet kunnen verwachten van onder andere onze matrozen, als de nood aan de man is. En hij – Multatuli – schrijft dan:

Dat is… godverdomme gemeen, zou een matroos zeggen, als hy ten minste aan den Moerdyk zyn Hollands niet verleerd had. En zó’n matroos met zyn ongerymde taal, zou ik graag de hand geven, al was ’t niet in een ‘binnenkamer’. Niet omdat ik zyn onbeschaafd vloeken mooi vind; niet ook omdat het baat, maar wyl ’t dan toch aangenaam afsteekt by de oudwyfse praat die wy uit ‘fatsoenlyke’ kringen te horen, en in sommige brochures te lezen krygen.

– Ja, en Busken Huet schrijft daar dan weer over, met dezelfde stilistische brille:

Een knal gelijk klinkt het ruwe vloekwoord van den matroos door ’s heeren Bosscha’s welgemeubelde vertrekken, waarin juist een talrijk en wellevend gezelschap den avond doorbrengt. De gasten, ongewoon op zulk eene plaats zulke taal te vernemen, zien om en op. De verontwaardigde oogopslag der meesten spelt de vraag: ‘Wat wil die vlegel hier?’ Doch reeds is Janmaat man van de wereld geworden, even weldenkend en welopgevoed als zij zelf. ‘Heeren en dames,’zegt hij, ‘meent niet dat ik een vriend van vloeken ben, of aan de kracht van zulke stopwoorden geloof sla. Ik gevoelde alleen behoefte aan een treffenden vorm om u bekend te maken met mijn oordeel over uwe konversatie.’

– Ja, die Busken Huet was een begaafd lezer en een briljant commentator.

– Ik begin nu wel in te zien waarom jij zo van dat commentaar houdt. Je ziet dezelfde kwestie zo van heel veel gezichtspunten. Interessant.

– En volgende week?

– De brieven uit 1868 in deel 12 en deel 13!

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter