Willem, Karel en Betje (1825)

Jeugdverhalen over Joden (30)

Door Ewoud Sanders

Herkomst en drukgeschiedenis

Portret van Anna Barbara van Meerten-Schilperoort, de auteur van Willem, Karel en Betje.
Portret van Anna Barbara van Meerten-Schilperoort, de auteur van Willem, Karel en Betje.

Anna Barbara van Meerten-Schilperoort (1778-1853), die op haar zestiende trouwde met een predikant, vond dat zij ‘oppervlakkig en zeer gebrekkig’ onderwijs had genoten. Gestimuleerd door haar man compenseerde ze dit met zelfstudie. Vervolgens ontwikkelde zij zich tot een vooraanstaand pleitbezorgster voor goed meisjesonderwijs. Hierdoor wordt zij gezien als een pionier van de Nederlandse vrouwenbeweging.

Van Meerten-Schilperoort schreef zo’n negentig boeken, in uiteenlopende genres: boeken en almanakken voor kinderen, schoolboeken, romans, zedelijke en godsdienstige verhandelingen voor adolescenten en adviesboeken voor meisjes en jonge vrouwen. Daarnaast was ze tussen 1821 en 1835 eindredactrice van Penélopé, het eerste Nederlandse vrouwentijdschrift.

Zij was diep gelovig, maar verwachtte meer heil van opvoeden dan van bekeren. Haar levensmotto luidde: ‘Mensch, help u zelf en God zal u helpen.’

Willem, Karel en Betje is twee keer gepubliceerd, in 1825 en 1827. Beide drukken verschenen bij uitgeverij G.J.A. Beijerinck in Amsterdam.

Aankondiging van de eerste druk in de Nederlandsche Staatscourant van 3-10-1825.
Aankondiging van de eerste druk in de Nederlandsche Staatscourant van 3-10-1825.

Samenvatting

Meneer en mevrouw Van Borgen hebben drie kinderen: Willem, Karel en Betje. Op een dag vragen de kinderen om zakgeld. Bij wijze van proef besluiten vader en moeder om hun kinderen ieder drie dukaten te geven. Ze mogen die naar eigen inzicht besteden, maar na drie maanden moeten ze verantwoording afleggen.

Betje koopt niets – het is ‘haar grootst genoegen om haar geld in een laadje te bewaren en van tijd tot tijd te bezien en over te tellen’.

Willem besteedt zijn geld heel verstandig, onder meer aan schrijfwaren en boeken. Ook geeft hij geld aan een ‘arme zwarte jongen’ die bedelt op straat.

Maar Karel verbrast zijn geld: op de kermis koopt hij een hobbelpaard dat al snel stuk gaat en daarna een vlieger. Vervolgens koopt hij, op de pof, een lot bij de ‘loterij-jood’ Grijpvogel. Hij wint niets en is de lotenverkoper nu geld schuldig.

Aan zijn broer vertelt Karel dat hij door Grijpvogel wordt geplaagd. Willem neemt een baantje en geeft Karel geld om zijn schuld af te betalen. Onderweg naar Grijpvogel komt Karel een handelaar in afgerichte vinken tegen. Hij koopt er een paar, met een kooi erbij. Kort daarop loopt hij Grijpvogel tegen het lijf.

Die zegt: ‘Ha ha! Heeft de jonge heer geld om vogels te koopen, dan heeft hij ook geld om mij armen jood te betalen.’ Grijpvogel vat Karel daarop ‘bij den arm, en dwingt hem niet alleen het geld af, maar houdt de kooi en de vogels voor het nog ontbrekende’.

De joodse lotenverkoper grijpt Karel bij de arm en dwingt hem, vanwege een schuld, zijn vogelkooi en geld af te geven. De illustratie is afkomstig uit de tweede druk, uit 1827.
De joodse lotenverkoper grijpt Karel bij de arm en dwingt hem, vanwege een schuld, zijn vogelkooi en geld af te geven. De illustratie is afkomstig uit de tweede druk, uit 1827.

Als Karel nogmaals geld van Willem probeert te lenen, reageert die afwijzend: ‘Neen, neen, Maatje! Het geld groeit mij ook niet op den rug.’

Na drie maanden heeft Karel nog steeds schulden, waarop vader en moeder beslissen dat hij minder zakgeld krijgt en dat zijn verstandige broer dit zal beheren. Betje krijgt ook minder omdat zij ‘het geld niet weet te gebruiken’.

De joodse lotenverkoper grijpt Karel bij de arm en dwingt hem, vanwege een schuld, zijn vogelkooi en geld af te geven. De illustratie is afkomstig uit de tweede druk, uit 1827.

Doelgroep en receptie

Willem, Karel en Betje heeft als ondertitel: een verhaal, waaruit de kinderen een nuttig gebruik van het geld kunnen leeren. In haar inleiding licht Van Meerten-Schilperoort dit nader toe: ‘Mijne lieven! Eer men u geld toevertrouwt, moet men toch weten, welk gebruik gij er van maken zult. (…) Het geld kan nuttig, maar het kan ook schadelijk voor u zijn.’

Van dit boekje heb ik geen besprekingen gevonden.