Wat zijn de grote inzichten uit de neerlandistiek?

door Peter-Arno Coppen

Ik loop nu al bijna een jaar (sinds de zomer van 2018) met een vraag rond die heel erg voor de hand ligt, maar waar ik nog nooit een goed antwoord op heb gelezen. Het begon bij het tweede tussenproduct van curriculum.nu, dat het begrip grote opdrachten introduceerde. Dit was allemaal voorgeschreven door de centrale Curriculum.nu-organisatie, die had bepaald dat na een visie op het leergebied ook de grote opdrachten van het leergebied moesten worden geïdentificeerd. Wat zijn dat, grote opdrachten?

De term bleek geïnspireerd op de onderwijsontwikkelingen in British Columbia, waarbij het curriculum op drie pijlers gebouwd was: Knowing (wat elke leerling moet weten), Doing (wat elke leerling moet kunnen) en Understanding (wat elke leerling moet begrijpen of inzien). Die derde pijler werd gevormd door de big ideas van het leergebied: wat zijn de centrale inzichten op het leergebied? Ik heb het nog eens nagezocht, maar dit zijn de big ideas voor het English Language Arts Curriculum, uitgewerkt in leerjaren tot en met Grade 12 (te beginnen met K(indergarten)):

  • K and 1: Everyone has a unique story to share.
  • 3: Stories can be understood from different perspectives.
  • 4 and 5: Texts can be understood from different perspectives.
  • 6 and 7: Exploring and sharing multiple perspectives extends our thinking.
  • 10,11,12: People understand text differently depending on their worldviews and perspectives. Texts are socially, culturally, geographically, and historically constructed.

Daar kun je van alles van zeggen (zoals dat het een eigenaardige mix van pedagogische, literaire en talige inzichten is, of dat de nadruk wel heel erg op de receptieve kant lijkt te liggen), maar in elk geval kun je er iets in zien wat leerlingen aan inzichten uit de wetenschapsgebieden over taal, taalgebruik en literatuur zouden moeten opdoen. Vooral het laatste big idea vat in elk geval een deel van de focus van die wetenschapsgebieden samen. Taal- en literatuurwetenschappen gaan over de constructie (of structuur) van teksten, gerelateerd aan individuele perspectieven en sociale, culturele, geografische en historische factoren.

De Nederlandse Curriculum.nu-organisatie heeft dat hele big ideas-idee enigszins scheefgetrokken door er grote opdrachten van te maken, waardoor die centrale inzichten naar de achtergrond gedrongen worden, en de deur openstaat om doelen te formuleren die niet over begrijpen, maar over kunnen gaan. En inderdaad, de ontwikkelteams kunnen die verleiding niet weerstaan en doen het voor het leergebied Nederlands zo:

  1. Een sterke taalbasis draagt bij aan de taal- en denkontwikkeling
  2. De competente taalgebruiker blijft zijn leven lang zijn taal ontwikkelen
  3. De competente taalgebruiker maakt bewust gebruik van verschillende (thuis)talen en/of taalvariëteiten
  4. De competente taalgebruiker communiceert doelgericht
  5. De competente taalgebruiker zet taal in bij het kritisch verwerken van (digitale) informatie
  6. Leesmotivatie en de ontwikkeling van literaire competentie stimuleren leerlingen lezers te worden en te blijven
  7. Experimenteren met taal en vormen van taal stimuleert het zelfvertrouwen en plezier in taal

Ook hier kun je weer van alles van vinden, maar het zijn in elk geval geen inzichten die de leerling zou moeten leren begrijpen gedurende het curriculum. Vanuit de vertaling ‘opdrachten’ lijken het meer doelen die je in de ontwikkeling van het curriculum zou willen nastreven. Je zou willen dat voor de leerlingen een sterke taalbasis bijdraagt aan de taal- en denkontwikkeling, je zou willen dat de leerling een leven lang een eigen taal blijft ontwikkelen, maar niet zozeer dat ze zelf snappen dat leesmotivatie en de ontwikkeling van literaire competentie hen stimuleert om lezers te worden en te blijven (daar hebben ze denk ik geen boodschap aan).

Als je de grote opdrachten van het leergebied Nederlands vergelijkt met de big ideas uit British Columbia, dan valt allereerst op dat ze (met uitzondering van 1, die nog een beetje lijkt op grade 6 and 7) totaal verschillend zijn. De Canadezen zetten sterk in op multiperspectivisme (de leerlingen moeten inzien dat je taal en teksten vanuit verschillende perspectieven kunt bekijken, en dat zij zelf ook een eigen perspectief vertegenwoordigen), de Nederlanders kiezen voor een soort praktische taalvaardigheid. Uiteraard is dat een gevolg van de organisatorische keuze (bij de Canadezen zitten de taalvaardigheden in de component Doing), maar het maakt de Nederlandse uitwerking duidelijk armer dan de Canadese, omdat de inzichten ontbreken.

Het tweede wat bij die vergelijking opvalt is dat de wetenschapsgebieden vrijwel onzichtbaar zijn: er is geen enkele grote opdracht die een wezenlijk inzicht uit de neerlandistiek, of zelfs de taal- of literatuurwetenschap  of toegepaste taalkunde vertegenwoordigt. Misschien zou je in grote opdracht 4, dat de competente taalgebruiker doelgericht communiceert, nog iets uit de interactielinguïstiek of de retorica kunnen zien, maar het is daar eerder een onderzoeksvraag hoe doelgericht dit in werkelijkheid gebeurt of wat doelgericht precies inhoudt, of welke factoren hierbij van belang zijn. Niets van dit alles is echter zichtbaar in die opdracht. Het is eerder een soort pleonastisch doel: immers, die taalcompetentie bestaat voor een groot deel in het doelgerichte communiceren.

Uit de formulering van de grote opdrachten ontstaat de indruk dat de neerlandistiek niets te bieden heeft voor het schoolvak. Als de grote opdrachten alleen over taalvaardigheden gaan, zijn wetenschappelijke inzichten misschien nuttig voor de onderbouwing van de didactiek, en je hebt ze misschien nodig om bewust geletterd te worden (de insteek van de meesterschapsteams), maar ze zijn geen doel op zich. De enkele leerling uit de bovenbouw van het vwo die Nederlands zou willen gaan studeren, moet er tijdens de studie maar achter komen waar de neerlandistiek over gaat. Het overgrote deel van de leerlingen hoeft daar niet mee lastig gevallen te worden (ik formuleer het nu zo als het in de discussie vaak geframed wordt).

Maar is dat wel zo? Heeft de neerlandistiek geen inzichten te bieden die het waard zijn om voor iedere leerling na te streven? Om die vraag te beantwoorden zou je eerst moeten vaststellen wat de grote inzichten van de neerlandistiek dan eigenlijk zijn. Waar gaat de neerlandistiek eigenlijk over? Daar loop ik nou al bijna een jaar over te piekeren.

Er zijn twee manieren om die vraag te omzeilen. Je kunt zeggen: de neerlandistiek gaat over de bestudering van taal, taalgebruik en literatuur. Maar dat roept onmiddellijk de vraag op: wat bestudeer je daar dan van? Waarop richt zich die studie? Welke grote vragen kenmerken dit wetenschapsgebied? Welke inzichten zijn hier bereikt?

De andere manier om de vraag niet direct te beantwoorden is door op te merken dat de vragen of inzichten van de neerlandistiek afgeleid zijn van de vragen van de internationale taal- en literatuurwetenschap, en de internationale toegepaste taalkunde, maar dan voor zover relevant voor de Nederlandse taal en literatuur. Maar ook dat verschuift de vraag alleen maar: wat zíjn dan die vragen uit die internationale wetenschapsgebieden? Welke kwesties spelen daar? Welke grote inzichten zijn daar bereikt?

Nou ken ik verschillende publicaties die het nut van taal- en letterkunde betreffen, maar die gaan meestal niet over de grote vragen in de wetenschap zelf. En er zijn ook wel publicaties die over grote inzichten uit de geesteswetenschappen gaan, maar die zijn dan weer algemener.

Toch geloof ik inmiddels dat je er wel iets over kunt zeggen. Als je alle wetenschapsgebieden rond taal, taalgebruik en literatuur bij elkaar neemt, en je vraagt je af wat die gemeenschappelijk hebben, dan moet je constateren dat ze allemaal inzoomen op de relatie tussen vorm en betekenis. Taal of tekst is een vorm, en die vorm genereert een betekenis. Daar bestaat een relatie tussen, die door verschillende contextuele factoren beïnvloed wordt. Je hebt individuele factoren (die in de belevingswereld van de taalgebruikers zitten, zowel aan de productieve als de receptieve kant), je hebt sociale factoren (van kleinere sociale groepen tot maatschappelijke factoren), en je hebt historische factoren (van de chronologie van de talige of literaire ontwikkeling tot taalverandering en literaire stromingen). In dat speelveld wordt taal, taalgebruik en literatuur bestudeerd. Steeds is daarbij de kernvraag hoe vorm, betekenis en context met elkaar samenhangen en wat daarin de belangrijkste factoren zijn.

Vanuit die visie zou je volgens mij best neerlandistische inzichten kunnen formuleren binnen het leergebied Nederlands die iedere leerling zou moeten begrijpen. Ik doe een voorzichtige poging:

  1. De vorm van taal en tekst hangt samen met de betekenis (en andersom): dit kun je invullen door te kijken naar allerlei vormaspecten (klank, woordkeuze, structuur), en naar allerlei vormen van betekenis (informatief, persuasief, expressief, esthetisch, etc.).
  2. De betekenis van taal- en tekstvormen hangt samen met de situatie: dit kan ingevuld worden met verschillende vormen van context (gesprekscontext, maatschappelijke context).
  3. De betekenis van taal- en tekstvormen hangt samen met de individuele kenmerken van de betrokken taalgebruikers: dan kan het gaan om persoonlijke voorkeuren, belevingswereld of taalontwikkeling.
  4. De betekenis van taal- en tekstvormen hangt samen met de sociaal-culturele en regionale kenmerken van de betrokken taalgebruikers: bijvoorbeeld machtsposities, sociale klasse, culturele context, attitudes ten opzichte van variatie.
  5. De relatie tussen taal- en tekstvormen en betekenis verandert in de loop van de tijd: dit geldt zowel voor de individuele taalontwikkeling en literaire ontwikkeling, als voor verandering in taalhistorisch en cultuurhistorisch perspectief.

Ik heb het idee dat hier zo ongeveer alles onder valt wat je in de taal- en literatuurwetenschap en toegepaste taalkunde zou willen bestuderen. Natuurlijk heb je daarbinnen weer thema’s waar je specifiek op kunt ingaan. Zo kun je focussen op de structuur (Hoe zit het in elkaar?) of op de verwijzing (Hoe is de relatie met de binnen- of buitentalige werkelijkheid?). Je kunt inzoomen op begrijpelijkheid, overtuigingskracht, esthetische waarde, modaliteit, effect (en er zijn vast meer thema’s). Maar dat zijn allemaal uitwerkingen van de relatie tussen vorm en betekenis.

Wat ik hier in feite gedaan heb is het Canadese idee van die multiperspectiviteit combineren met wat naar mijn idee het kernthema van de taal- en literatuurwetenschap is (de relatie tussen vorm en betekenis). Het resultaat is een rijtje met basale inzichten die volgens mij op ieder niveau in een schoolcurriculum kunnen worden ingevuld. Samen zorgen ze voor een bewustzijn van taal en literatuur/cultuur dat voor iedere burger relevant is.