Wat men zeker weet, kan op een klein blaadje

De Multatulileescursus (22)

Door Marc van Oostendorp

– Dat was wel een heftige brief, vorige week.

– Ja, ik zag het al een tijdje aankomen. Het is misschien ook wel waar dat je enige sympathie voor Eduard Douwes Dekker moet kunnen opbrengen om dit werk te kunnen lezen.

– Ja, en dat wordt je met die brieven uit 1866 ook niet gemakkelijk gemaakt. Dekker verkeert weer eens in grote armoede, maar gaat wel met zijn vriendin in Duitsland wonen terwijl zijn vrouw en kinderen het maar zelf moeten uitzoeken.

– En als dan een groepje van zijn vrienden hem wil helpen door middels een ‘circulaire’ geld in te zamelen door die vrouw en kinderen is hij daar geïrriteerd over, omdat het ’t beeld geeft dat hij een verspiller is die niet goed voor vrouw en kinderen zorgt.

– Wat natuurlijk waar is.

– Je merkt trouwens ook bij sommige van zijn vrienden de irritatie toeslaan. Zoals bij Ablaing, die dan een aantal jaren zijn uitgever is geweest, en bakken geld heeft geïnvesteerd in voorschotten voor nog altijd te schrijven werken:

Hij schijnt, zijn pseudoniem Multatuli getrouw, nu hij toch reeds zooveel gedragen heeft, maar voor goed den bedelzak opgenomen te hebben. Dat is gemakkelijker avontuurlijker en intressanter dan als de eerste de beste te werken voor zijn brood. Gouverneur Generaal van N.I of landlooper, – welke andere keus is er voor een genie dat zoo ver boven den tegenwoordigen maatschappelijken ontwikkelingstoestand verheven is, als Max Havelaar?

– Daar had die Ablaing groot gelijk in. Hij zit maar te jammeren dat hij niet kan werken om uit de ellende te komen omdat hij zich eerst minder ellendig moet voelen om te kunnen werken.

Is ’t genoeg? Wat heb ik U, vVloten, vdValk gedaan dat ge my zoo hebt vernietigd! Hoe moet ik die circulaire ontzenuwen? Door te werken. Hoe myn gezin onderhouden? Door te werken. Hoe myn kinderen weerzien waarover myn hart bloedt. Alles alles door te werken! Werken in zoo’n toestand, in zoo’n stemming! Waarlyk ik had behoefte gehad aan wat rust, en daar op hoopte ik zoo, na de verzekeringen myner vrouw. Inplaats daarvan, dieper smart dan ooit, verder van de kalmte die ik zocht, dan ooit. En wien zal ik nu vragen om my te helpen, nu ik door welwillende vrienden ben uitgemaakt voor een verkwister? Ik had niets te verkwisten. Ik wou dat het waar wàs, ik wou dat ik een verkwister wezen kon. –

– Toch staan er ook een paar vertederende stukken in. Als hij bijvoorbeeld aan Huet smeekt om hem uit te leggen hoe hij ‘objectieve’ krantenstukjes over Duitsland kan schrijven voor de Oprechte Haarlemsche Courant, zo’n beetje de enige bron van inkomsten die hij, inmiddels 46 jaar oud, heeft.

– Ja, en in de brieven aan Everdine komt toch ook nog echte tederheid voor, en echt verdriet. Ik vind dit bijvoorbeeld een aangrijpend detail:

Verbeelje ik ben op een verdrietige manier myn horloge kwyt geraakt. We hadden een wandeling gemaakt over bergen, ’t was stik heet en we rustten uit aan den weg. Daar ’t een eenzame streek was trok ik myn jasje en vest uit (om te droogen,) en hing myn horloge aan een struik. By ’t weggaan vergat ik het. Ik merkte ’t eerst in een dorp vry ver van die plek en liep terug, maar ’t was weg. Ik had me al zoo dikwyls verheugd dat het maar van koper was, en dus niet uit nood kon verkocht worden. Nu is ’t toch weg, ’t liep zoo goed, en ik had er zooveel pleizier van.

– Zoiets verscheurt mijn hart, je kunt het je zó voorstellen. Het enige dat je hebt, van geen enkele materiële waarde maar des te meer van persoonlijke waarde, laat je, stomkop, ergens hangen.

– En wordt dan gejat.

– Ik vind ook dat hele morele gedoe niet zo interessant. Natuurlijk was die Multatuli een moralist, maar daarom hoeven wij dat toch nog niet ook te zijn. Dat zo’n uitgever zich dood aan hem ergerde, is ook goed te begrijpen, maar ook daar heb ik als lezer niks mee te maken. Het aantrekkelijke van literatuur is nu juist dat je je kunt verplaatsen in verschrikkelijke figuren met wie je in het dagelijks leven nooit iets te maken zou willen hebben.

– Een nog niet veel besproken aspect van Dekker is natuurlijk zijn neiging tot geweld. De vader van zijn eerste verloofde Caroline klaagde al dat hij klappen uitdeelde. Die gevangenisstraf die hij moest uitzitten was ook weer het gevolg van klappen, aan mannen uitgedeeld omdat ze een actrice beledigden.

– Tot op zijn 46e een gentleman.

– Zijn vrouw bleef hem ondertussen maar steunen. Haar hele leven verwoest door zijn edelheid en zijn genie, maar dan nog schrijft ze aan haar vriendin:

Il y a quelques jours, Dekker m’écrivait: ‘Hier soir j’ai eu le malheur, la maladresse ou le plaisir de souffleter quatre messieurs, qui se moquaient d’une actrice distinguée et honnête femme sur le marché. La salle était en émoi, tout le monde me donnait tort, naturellement; car ‘tout le monde’, est stupide et cruel. De chevalerie pas la moindre notion’. (…) Voilà l’humor de la nature. Il était venu au théâtre pour aspirer quelque chose de beau, de délicat, de ces impressions qui délassent – et dame nature, au lieu de tout cela, lui donne des messieurs à souffleter.

– Even tussendoor, wat ik ook een lief detail vind is dat Douwes Dekker af en toe in zijn brieven aan Everdine het woord kassian blijft gebruiken. In zijn correspondentie met anderen doet hij dat nooit. Ze blijven verbonden door Indië.

– Overigens viel de correspondentie met Huet me dan weer een beetje tegen. Je merkt hoe warm Huet voor Multatuli is en hoe Multatuli zijn best doet voor Huet omdat hij hem echt respecteert. Maar heel veel zeggen die brieven toch verder niet.

– Afgezien dan van die brief waarin Multatuli reflecteert op onder andere de wens van de krantenredactie om alleen ‘objectief nieuws’ te brengen. Wat hij daarover zegt, geeft nog steeds te denken:

Dat streven naar objectiviteit zou ik toejuichen – neen, ik juich het toe, maar – dan moet men geen courant uitgeven. Wat men zeker weet, kan op een klein blaadje. Nu, de Haarlemmer wijkt er dan ook vaak van af, en geeft (zooals ik ook wel gedwongen ben te doen om niet niets te zeggen) het bestaan eener meening als objectief feit. Dusdoende is ’t begrip van objectief en subjectief zeer betrekkelyk, niet waar? Zóó is ’t bestaan van Beelzebub een feit in meening, en de maan heeft, zeer objectief wáár, een menschengezigt in de verbeelding van ’t kind.

– Ja, zo’n passage ontneemt aan mij in ieder geval alle lust om ook af te haken. Iemand die af en toe zo’n parel strooit mag mij tot zijn zwijnenkudde rekenen.

– Verderop komt hij ook nog te spreken over Van Lennep.

Wat me in Klaasje Zevenster waarschynlyk hinderen zou, is die eentoonige tic om de deugd der heldin zoo heelemaal terugtebrengen tot het – ja hoe moet ik zeggen? Zal ze al of niet trouwen of sterven als maagd? Die plompe moraal heerscht in al die dingen. Pamela, Clar. Harlowe, Susanna Bronkhorst, ja zelfs in Saartje. (die ik anders graag lyden mag.) Ik heb altyd lust zoo’n vervolgde deugdheldin toeteroepen: ‘ga toch in sHemels naam gauw met dezen of genen te bed, dan is ’t uit! Verveel ons niet vyf deelen lang met je deugd die après tout, zeer zelden deugd is.’ Ik blyf er by de eer woont boven den navel.

– Zouden we niet ook eens de biografie van Van Lennep kunnen lezen?

– Zetten we op het programma. Overigens noemt Multatuli nog een schrijver, van wie ik nooit gehoord had en die me toch mateloos fascineert, omdat hij hem presenteert als een soort Duitse Multatuli, Johannes Scherr:

Kent gy Dr. I. Scherr, professor te Zurich? Hy is, als schryver, eene zeer eigenaardige persoonlykheid. Als ik zyn hoofdfout er afreken – de zeldzame fout van exuberatie van rykdom in uitdrukking – stel ik hem boven alle schryvers die ik ken. Hy haalt nu en dan Shakespere aan, en ik geloof waarachtig uit coquetterie om den lezer te doen zeggen dat hij (Scherr) toch ryker is. Als gy hem leest – ik recomm. U Blücher u seine Zeit – meen dan niet dat ik alles mooi vind, maar zeker bestaan zyn schryvers-ondeugden in overmaat van deugd. De natuur is gul geweest, toen ze dien Scherr maakte, ze had met niet meer moeite uit zyn stof een paar geschiedschryvers kunnen daarstellen, plus een wysgeer, plus een dichter, en nog een en ander op de koop toe. Maar nog eens, juist daardoor is Scherr te vol.)

– Dat boek over Blücher van Scherr staat overigens inmiddels ook op internet.

– Zullen we dat dan lezen? Of toch liever dat boek over de rechtszaak tussen Multatuli en Van Lennep?

– Ik heb vooralsnog, na onze morele uitbarsting van vorige week, wel behoefte om het boek van Willem Frederik Hermans over De raadselachtige Multatuli te lezen. Staat ook op internet.

– Want Hermans was wél een moreel hoogstaand mens?

– Nee, Hermans moest juist niets van morele pretenties weten. Dat maakt zo interessant waarom hij dan toch zo gefascineerd was door Multatuli.

– Accoord, doen we dat. Dat boek over de rechtszaak doen we dan de week erna. Of we aan Scherr toekomen, zien we nog wel een keer.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , , . Bookmark de permalink.

1 Response to Wat men zeker weet, kan op een klein blaadje

  1. Johan overduin schreef:

    Wat jammer dat Grijze Piet nooit die Multatuli biografie heeft geschreven als tegenhanger van de raadselachtige Mulatuli(duffe titel trouwens)

Laat een reactie achter