Prentgeschenk voor de Nederlandsche jeugd (omstreeks 1830)

Jeugdverhalen over Joden (28)

Door Ewoud Sanders

Herkomst en drukgeschiedenis

Prentgeschenk voor de Nederlandsche jeugd

Van deze editie van Prentgeschenk voor de Nederlandsche jeugd bestaat alleen een exemplaar met waterschade.

Prentgeschenk voor de Nederlandsche jeugd: behelzende voorstellingen uit het dagelijksche leven verscheen bij uitgeverij Mensing en Van Westreenen in Rotterdam. In welk jaar is niet met zekerheid bekend. Het wordt genoemd in de Alphabetische naamlijst van boeken 1790-1832, maar zonder jaartal. De uitgever was werkzaam van 1801 tot 1849; waarschijnlijk verscheen dit prentenboekje omstreeks 1830.

Uitgeverij Mensing en Van Westreenen gaf verschillende prentenboekjes uit getiteld Prentgeschenk voor de Nederlandsche jeugd, behelzende voorstellingen uit het dagelijksche leven, maar per editie worden er andere beroepen in beschreven en afgebeeld. ‘De Jodin’ komt alleen voor in het exemplaar van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag [Signatuur KW 32 E 38].

Samenvatting

Prentgeschenk voor de Nederlandsche jeugd bevat beschrijvingen van acht vrouwelijke straatverkoopsters: de koekenbakster, de liedjeszangster, de mosselvrouw, de naaldenverkoopster, de ‘oblievrouw’ (bakster van ronde wafels), de palingvrouw en de reukverkoopster. Als eerste wordt ‘De Jodin’ opgevoerd – de enige straatverkoopster die niet naar haar handelswaar, maar naar haar religieuze achtergrond wordt geduid. In feite is zij textielverkoopster.

Dat zoveel mensen verschillende dingen doen om in hun levensonderhoud te voorzien, zo begint de anonieme auteur, getuigt van de wijsheid en goedheid van God: die heeft bepaald dat er verscheidenheid moet zijn. Sommige mensen werken in huis of in een winkel, anderen op pleinen of markten, maar er zijn er ook die met hun waar van deur tot deur gaan. Een van hen is ‘de Jodin’, die ‘wij dagelijks langs onze straaten zien en hooren roepen’. Volgt de straatroep waarmee deze straatverkoopster haar waren aanprijst: ‘Kantjes en lintjes! Batist katoen!’

Al deze verkoopsters hebben een zwaar beroep, benadrukt de schrijver. Zij moeten de hele dag met zware manden of pakken zeulen en verdienen nauwelijks genoeg om van te leven. Toch is dat zo gek nog niet, meent de auteur, want zij hebben niet dezelfde zorgen als rijke kooplieden, die flinke verliezen kunnen lijden. Hierdoor ondervinden straatverkopers ‘dat vergenoegdheid [tevredenheid, voldoening; ES] rijkdom te boven gaat’.

Juist bij deze korte ‘beschouwing van de Jodin’ wil de auteur waarschuwen tegen ‘eene ondeugd (…) waaraan sommige kinderen zich niet zelden schuldig maken’: het beschimpen van straatverkopers die door hun geroep en gebaren soms ‘bespottelijk’ overkomen. Kinderen die dit doen dienen te bedenken dat deze verkopers ‘bij gebrek aan betere middelen van bestaan’ hun handelswaar op straat verkopen, niet ‘voor vermaak of uit weelde’. Kinderen die geneigd zijn om straatverkopers te bespotten, houdt de auteur een versje voor uit J.P. Jungst Zedelijk onderwijs voor kinderen:

Bespot nooit eenig mensch
Om armoede of gebreken;
Het onheil kan zoo ligt
Zich op uw’ spotzucht wreken.

Receptie

Van het Prentgeschenk voor de Nederlandsche jeugd heb ik geen besprekingen gevonden.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter