Neerlandistiek als handelswaar

Door Michèle Wera

Eind 2018 vierde de VU het illustere feit dat honderd jaar geleden Jacobus Wille als eerste docent Nederlandse taal- en letterkunde aantrad. Dat maakt het besluit van diezelfde instelling om de opleiding te schrappen des te markanter. Anno 2019 kiest de VU met de slogan ‘verander je wereld’ voor een zogenaamde frisse wind. ‘Oude ideeën kunnen het raam uit,’ aldus de VU-website. In deze gedachtegang ligt besloten het begin van het einde van de neerlandistiek aan de Amsterdamse instelling. Niet verwonderlijk daarom dat de oorspronkelijke bacheloropleiding Nederlands al grotendeels is uitgekleed. Wat overblijft, is de afstudeerrichting ‘Literatuur en Samenleving: Nederlands’ en deze gaat uiteindelijk ook in de uitverkoop. Geen vraag, geen aanbod.

Inmiddels heeft de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren van zich laten horen. Zij is verbijsterd en verontwaardigd over de beslissing van de VU. Volgens de academie is het besluit in strijd met de maatschappelijke plicht van een universiteit en daarom onaanvaardbaar. En niet zonder emoties eindigt het standpunt op de kwalificatie ‘intriest’.

Een verkochte taal

Nog geen jaar geleden deed de verengelsing van het hoger onderwijs veel stof opwaaien. De publieke opinie roerde zich en meningen buitelden over elkaar heen. Ook de VU-affaire heeft inmiddels hevige reacties opgeroepen en niet alleen in de media. De teloorgang van de opleiding raakt neerlandici in het diepste van hun hart. Zij bijten flink van zich af en kapittelen bestuurders en politici voor wie marktdenken zaligmakend zou zijn.

In het online tijdschrift ‘Neerlandistiek’ veegt Marc van Oostendorp (Radboud Universiteit Nijmegen) de vloer aan met zowel de universiteit als de onderwijsminister. Hij doet hun reacties af als bestuurlijke prietpraat. Op hetzelfde platform kant Frank Willaert (Universiteit Antwerpen) zich tegen de gedachte als zou de neerlandistiek zich in een crisis bevinden. Verder hekelt hij de obsessie van geesteswetenschappers om te publiceren in het Engels.

Ilja Leonard Pfeijffer legt in zijn ‘Sonnet in een verkochte taal’ een direct verband tussen het opheffen van de studie Nederlands en de verengelsing van het hoger onderwijs. Hij bezingt de elegantie en nuance van de moedertaal als godenmaal. Daartegenover plaats hij een verweekt en gebleekt gesprekje in het Engels als gevolg van het verdienmodel in het hoger onderwijs. Een debacle in de neerlandistiek lijkt zo terug te voeren naar de onstuimige opmars van het Engels aan Nederlandse universiteiten.

Een aangekondigde dood

Het was de toenmalige onderwijsminister Jo Ritzen die in 1990 voorstelde om te starten met colleges in het Engels aan de Nederlandse universiteiten. Hij anticipeerde daarmee op het naderende Europa en uiteindelijk op de mobiliteitsdoelstellingen van Bologna. Dat kwam hem op veel kritiek te staan maar zijn visionair plan vond ook weerklank. Het verdere verloop laat zich raden. De verengelsing van het hoger onderwijs is een feit en raakt de neerlandistiek met een voltreffer. Nederlands als taal van de wetenschap is al jaren een achterhaald concept.

Engels is de lingua franca in onderzoek en onderwijs, en niet alleen in de bachelorfase. Deze ontwikkeling komt het imago van het Nederlands niet ten goede en degradeert het Nederlands tot tweederangs taal. Niet verwonderlijk daarom dat studenten zich weinig aangetrokken voelen tot een studie Nederlands, aldus Lotte Jensen (Radboud Universiteit Nijmegen). Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor leerlingen die nog weinig enthousiasme kunnen opbrengen voor het schoolvak Nederlands en de verplichte literatuurlijstjes.

In diezelfde geest sprak Harry Mulisch toen hij in 1995 de ‘Prijs der Nederlandse Letteren’ in ontvangst nam. In zijn dankwoord Het pleit is beslecht schetst hij een somber beeld van het Nederlands. Hij voorspelt dat over 75 jaar het Amerikaans (Engels) het Nederlands als eerste taal zal verdringen; nog ruim 50 jaar te gaan.

Aan Nederlandse instellingen is de discussie over het Engels inmiddels versmald naar de kwaliteit van de individuele opleidingen. Op instellingsniveau zijn de strategische keuzes over verregaande verengelsing van het onderwijs dan al gemaakt. Een bescheiden opgezette studie (Nederlands) met een gestaag teruglopend aantal (Nederlandse) studenten past niet in de nieuwe visie en verwordt tot een probleemopleiding want verliesgevend. En omdat je van een kale kip niet kunt plukken, valt onverbiddelijk de hakbijl.

Een buitenlands succes

Dezelfde Jo Ritzen die het Engels propageerde, financierde als lid van het Comité van Ministers van de Nederlandse Taalunie ook diverse projecten ter ondersteuning van de neerlandistiek. Vooreerst was daar de Geschiedenis van de Nederlandse literatuur waarvan het achtste en laatste deel verscheen in 2017. Intussen kwamen ook Nederlandse literatuurgeschiedenissen in vertaling beschikbaar.Voorts stelde het ministerie van OCW geoormerkte subsidies beschikbaar voor de neerlandistiek in speciale aandachtsgebieden: Midden- en Oost-Europa, Indonesië en later ook Zuid-Afrika. Economische belangen en culturele activiteiten gingen daarbij hand in hand.

De neerlandistiek ‘extra muros’ – buiten de grenzen van Nederland en Vlaanderen – is een succesvol exportproduct gebleken. Docenten Nederlands in het buitenland reageren dan ook met verbazing op het faillissement van de VU-opleiding. Dat maakt de recente gebeurtenissen in eigen land extra pijnlijk en in de woorden van Marita Mathijsen (Universiteit van Amsterdam): onverdraaglijk en onvergeeflijk. Zij betoogt dat juist de VU vanuit haar ontstaansgeschiedenis zich diep moet schamen omdat ze de afgod Mammon is gaan vereren.

Het is moeilijk voor te stellen dat zich een vergelijkbaar scenario zou voltrekken aan universiteiten in onze buurlanden. Of dat studenten La malade imaginaire in het Engels aan de Sorbonne lezen als zij Molière willen bestuderen. Of dat studenten neerlandistiek in Bratislava of Münster zich buigen over Karel ende Elegast in een Engelse vertaling. Voor wetenschapsbeoefening op het hoogste niveau bestudeer je literatuur in de brontaal.

Niettemin introduceerden Nederlandse universiteiten op sluipende wijze de literatuur van Van den vos Reynaerde tot Vondel en Reve in een Engelse vertaling. In de masterfase zijn literaire analyses en publicaties vanzelfsprekend in het Engels..

Een volgend advies

Nu het opheffen van de VU-opleiding de politieke arena heeft bereikt, is het wachten op het verlossende woord van onderwijsminister Ingrid van Engelshoven. Een commissie van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) zal haar adviseren over hoe nu verder met de neerlandistiek. Dat is de voorlopige uitkomst van het gekrakeel in de Tweede Kamer.

Eerder al boog het Regieorgaan Geesteswetenschappen zich in meer algemene zin over de heroriëntatie van de geesteswetenschappen en de verdeling van extra middelen. Die adviesronde leverde twee rapporten op in 2010 en 2015 met weinig oog voor de opleidingen Nederlands.

Een andere commissie denkt na over een nieuw financieringsmodel van het hoger onderwijs. De commissie-Van Rijn zal daarbij naar verwachting de geestwetenschappen niet sparen; integendeel. Met een handjevol studenten Nederlands is het moeilijk een vuist te maken. Dat belooft dus weinig goeds. Zowel het advies over een aangepaste financiering als de toekomst van de opleiding Nederlands zal nog voor de zomer 2019 verschijnen.

Een nieuw geluid

Vooruitlopend op het KNAW-advies kunnen de opleidingen Nederlands alvast van zich laten horen en luidkeels ook. In barre tijden is het soms nodig om op de barricade te staan en een pleidooi pro domo te houden. De genadeklap voor de VU-opleiding kan zo maar overslaan op een andere instelling en de bevestiging worden van een ‘self-fulfilling prophecy’ Of: zelfvervullende voorspelling. Geruststellend is alvast dat Van Oostendorp lid is van de KNAW-commissie. Hij laat zich geen bestuurlijke knollen voor Nederlandse citroenen verkopen.

Niet zo verrassend in de discussies zijn de vele verwijzingen naar Nederlandse auteurs als Vondel, Lucebert, Couperus en Hermans. Allen mijmeren toepasselijk over de schoonheid van de moedertaal, ook in het onderwijs. Wie echter kiest voor Multatuli en Elsschot, krijgt van doen met de koopmansgeest uit de Max Havelaar en Kaas. Niet het Nederlands als handelswaar maar koffie resp. kaas. Overigens blijken beide canonieke werken niet al te populair bij de schoolgaande jeugd volgens de recente gegevens van Stichting Lezen. Wat te denken van Elsschots Villa des Roses? Een Franstalige titel voor een Nederlandstalig juweeltje van een Vlaamse schrijver. Dat is ook Nederlandse literatuur waaraan elke scholier en student Nederlands zich blijvend kan laven.

Dit stuk verscheen eerder op ScienceGuide.