Hellinga, de adel en de nar

Door Jacques Klöters

Laatst moest ik denken aan de beroemde professor Hellinga die er nooit was en die dus ook niet op de foto staat van de wetenschappelijke staf van het Amsterdamse Instituut voor Neerlandistiek in 1968. Professor Stuiveling staat linksvoor, hij was bekend, saai en alom aanwezig. Hellinga was legendarisch, onvoorspelbaar en onzichtbaar. Hij was er nooit want hij deed altijd onderzoek in Engeland.

Op een keer sta ik met mede-student Hans Dorrestijn te praten in de hal van ons instituut, het Lambert ten Katehuis. De beroemde Hellinga komt binnen, geeft een schop tegen de boekentas van Dorrestijn die meters over de vloer zeilt. “Neemt u me niet kwalijk professor” zegt Dor tegen Hellinga. Die stopt, draait zich om en zegt: “Hoe weet u dat ik professor ben?”

Hellinga ging college geven in de aula van de universiteit. Heel geleerd Amsterdam was er. Ik was net ernstig aan het twijfelen over mijn studiekeuze. Ik hield van poëzie, schreef zelf, en holde achtervolgd door oom agent achter de provo’s en de kabouters aan, maar in mijn studie was daar niets van terug te vinden. Het leek daar te gaan om de vraag of Vondel meer hield van beschuit met aardbeien, of toch met muisjes.

Hellinga werd omringd door zijn medewerkers, van wie enkelen al een eigen intellectuele terreur om zich heen wisten te verspreiden, met name Mosheuvel en Tuinman werden door ons gevreesd. Zij zaten op de eerste banken. Hellinga richtte zich eerst tot hen met zinnen als: ‘Toen Vondel zijn gedicht schreef over de opening van het nieuwe stadhuis – ach, meneer Mosheuvel, helpt u me eens, wanneer was dat toch?’

Ik kreeg ogenblikkelijk een hekel aan Hellinga, want ik besefte dat hij erop uit was zijn medewerkers te laten afgaan voor de studenten. Later, toen ik bij de socioloog A .Zijderveld las over de verhouding tussen de vorst, de adel en de nar, besefte ik dat het intimiderende gedrag van Hellinga waarschijnlijk tegen ons studenten was gericht. Als hij zijn eigen hoogbekwame medewerkers zo te kakken kon zetten, dan moesten wij ten diepste beseffen wat hij wel niet met óns nietswaardige onbenullen kon doen.

Hellinga stond tijdens dat college met een opengewerkte paperclip in een oud boekje te prikken en zeurde over een houtworm die daar een gat in had geboord. Waar ging dit over? Plotseling trof hij mijn aandacht toen hij demonstreerde dat de houtworm wel aan de ene kant van het boekje naar binnen was gegaan en er aan de andere kant ook weer was uitgekomen, maar dat er een heel katern in het boekje zat waar de houtworm zich niet doorheen had gegeten. De conclusie kon niet anders zijn dan dat het katern pas later in het boekje was bijgebonden, en daarmee scheen een literaire kwestie te zijn opgelost die vele geleerden jaren had beziggehouden in de vakbladen.

Dat was mijn grote leermoment in dat ene college van Hellinga dat ik gehad heb: doordenken, de oplossing buiten de bekende kaders durven zoeken, de moed hebben het meest triviale te doen.