Gedicht: Jacobus Bellamy • De wijsgeer

De wijsgeer

‘Jongeling’, dus sprak een Wijsgeer,
‘Jongeling, gij moet de hemel,
In de stille nacht beschouwen,
Wen geen wolkje hem verduistert;

Dan moet gij die grote lichten,
Die ontelbre grote lichten,
Om hun assen om zien rollen! –
Gij moet langs de ruime velden,
’t Schoon der Lente vaak beschouwen:
Frisse planten, purpren rozen,
Alles moet uwe aandacht wekken! –

Gij moet vaak in ’t statig bosje
Horen, hoe de blijde vogels
Kunsteloze zangen zingen! –
O! Natuur is groots en edel!
Gij moet al haar schoon beschouwen!’

‘Ach!’ zo sprak ik: ‘lieve Wijsgeer!
Al de schoonheid, die gij opnoemt,
Kan ik in een enkel voorwerp,
In mijn meisje alleen beschouwen!

’t Helder voorhoofd is mijn hemel,
En haar ogen zijn mijn sterren,
En de blosjes van haar wangen
Zijn mij meer dan Lenterozen!
En haar stem! – mijn lieve Wijsgeer –
O! Zo gij haar stem mocht horen!
Gij zou nooit meer in het bosje
Naar uw lieve vogels luistren!

Toen Natuur ’t heelal gewrocht had,
Heeft zij al de pracht en schoonheid,
Die op al de delen schittert,
In een meisje alleen verenigd.’

Jacobus Bellamy (1757-1786

———————————–

Dit bericht is geplaatst in gedicht met de tags . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter