Gedicht: Jacob Winkler Prins • Volle maan

Volle maan

In de verte zacht, melodisch suizen …
Blanke lijn van ’t drooggelopen strand …
Paarlemoeren plasjes langs de kant,
En in de pinken* en de buizen*.

Tegen ’t duin de lichten van de huizen…
En heel achter aan de verste rand,
Gloeiend als een pas begonnen brand,
Maneschijn op donkre kerkhofkruisen.

In een stoet van grijze wolkenvlokken
Trekt de maan naar ’t Zuiden, naar de zee:
Al wat jong is, voelt zich aangetrokken:

Vissermeisjes waden langzaam mee:
Voeten scheemren onder donkere rokken
En weerspieglen in de blanke ree*!

Jacob Winkler Prins (1849-1904)

buis: haringschuit
pink: platbodemend vissersvaartuig
ree: ankerplaats

———————————–