Gedicht: Jac. van Looy • Dubbel-zang

Dubbel-zang.

– ‘O mooie Vogel, wat? hoe wilt gij van mij gaan?’
– ‘“Uw Kooi is mij te eng, ik klaag om ruimt’ en hemel,
O ik versnak zoozeer om ’t vederig gefemel
Van mijn gespreide vlogels ganschlijk uit te slaan.
Om mij te menglen in het opperste gewemel,
Om daar in ’t Licht te zijn, stil in dien glans te staan
Als eene flonkersteen, die werd in licht gevaân,
O, in die Kreitsen waar het hoog is, in dien Hemel…”’ –

– ‘Ziel, laat mij arme toch niet zonder doelwit wezen,
Lucht, Water, Vuur, Spruit, Bloem en Koren van mijn Kaf,
O Inhoud, werp mij niet als dorre zeemlen af.

Mijn Kern, ik leefde om U in duizend, duizend vreezen,
Hoe wringt ge zoo in mij, wat martelt gij mij nu …
Het hulsel deed nooit kwaad dan in verband met U.’

Jac. van Looy (1855-1930)
uit: De wonderlijke avonturen van Zebedeus (1925)

———————————–

Dit bericht is geplaatst in gedicht met de tags . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter