Gedicht: Jac. van Hattum • De dichter en de ethische dames

De dichter en de ethische dames

Ik ken Uw blankheid en ik verf mij zwart
en zet mij rustig op mijn achterpoten
en ga mijn zonden duizendmaal vergroten
en kerf U treit’rend in Uw reine hart.

Gij zijt haast lammetjes van marsepein;
U schort het rose strikje om de nekken;
ik trek, scheef-schalks, lachende wolvebekken
en raad, wie wel d’onnozelste mag zijn.

O, witte-wolkjes-van-onschuldigheid,
Uw suik’ren hartjes moeten er aan wennen,
dat, lammetjes, geen man U ooit zal schennen,
omdat Gij van fondant en walg’lijk zijt.

Uit medelijden gun ik U ’t plezier
mijn zonden, U ter griez’ling, te vergroten,
al grijnzend, met gevouwen wolvepoten,
naast al Uw reinheid een afzicht’lijk dier.

Jac. van Hattum (1900-1981)

uit: De pothoofdplant (1936)

———————————–