Gedicht: Hieronymus van Alphen • De vechtende jongens

De vechtende jongens.

Gijsje.
Laat ons dezen twist beslechten,
Door eens moedig saam te vechten.

Klaasje.
‘k Wil niet: ‘k heb geen lust in slaan;
Maar laat ons naar vader gaan;
‘k Wil u niet verongelijken;
Vader mag het vonnis strijken.

Gijsje.
Laffe jongen, zonder moed!

Klaasje.
O! bedenk eerst wat ge doet.

Gijsje.
‘k Vat u aanstonds bij de kleeren.

Klaasje.
Wacht u, ‘k zou mij dan verweren:
‘k Ben zoo min bevreesd als gij.

Gijsje.
Is dat waar, kom dan ter zij!

Klaasje.
Neen: daar zal ik mij voor wachten;
Maar uw dreigen hier verachten.
Ha! geen dwaasheid is zoo groot,
Dan te vechten zonder nood.

Hier werden zij gestoord,
Papa-lief had het juist gehoord.
Hij, die een krijgsman was, en dikwijls in zijn leven,
Van zijn beleid en moed veel proeven had gegeven,
Zei: ’t is de beste held: hij heeft den grootsten moed,
Die dapper vechten kan, maar ’t nooit onnoodig doet.

Hieronymus van Alphen (1746-1803)
uit: Kleine gedichten voor kinderen

———————————–