Eind goed, al goed (1913)

Jeugdverhalen over Joden (29)

Door Ewoud Sanders

Herkomst en drukgeschiedenis

Eind goed, al goed (1913)
De zoons van de burgemeester schrikken als zij slager Salomons voor het eerst zien. Illustratie door W.K. de Bruin (1871-1945).

Het verhaal ‘Eind goed, al goed’ is geschreven door P.H.N. Bloemink (1886-1947). Bloemink was hoofd van een lagere school in Leiden en schreef diverse succesvolle leerboeken, vooral over lezen en schrijven. Daarnaast publiceerde hij verscheidene jeugdboeken en was hij vertaler.

‘Eind goed, al goed’ verscheen in het slotdeel van Zonnebloemen: vertellingen voor school en huis, een reeks van drie verhalenbundels onder redactie van Charles Krienen (1873-1945). Zonnebloemen werd uitgegeven door G.B. van Goor in Gouda. Dit was een ‘neutrale’ uitgeverij: de uitgaven hadden geen protestantse of katholieke signatuur. De eerste druk van Zonnebloemen verscheen in 1913, de tweede in 1924. In de samenvatting is geciteerd uit de tweede druk. In 1937 werd de reeks in prijs opgeheven.

Samenvatting

Op een dag krijgt Eli Salomons van zijn vader en moeder te horen dat ze naar een dorp zullen verhuizen. Zijn ouders vinden het een grote stap, want in de stad wonen veel joden en daar voelen zij zich geborgen. Maar Eli’s vader is slager en in de stad verdient hij niet voldoende, want er zijn te veel ‘jodenslagers’.

Met de hondenkar vertrekken zij kort daarop naar het dorp, waar vader een huis heeft gehuurd. Nog voordat zij het dorp hebben bereikt, krijgen ze van een tolbaas te horen dat zij geen kans van slagen hebben. ‘Ze willen geen Jood in ’t dorp. Je bent de eerste, die ’t aandurft.’

Moeder wil meteen rechtsomkeert maken, vader wil het toch proberen.

Als ze arriveren loopt het hele dorp uit. ‘De Jood is er! De Jood is er!’ wordt er geroepen. ‘Angstig loerden de kleintjes, brutaal gaapten de grooten ’t drietal aan.’ Als vader vraagt of iemand hem wil helpen met uitladen, roept een boer: ‘Wij komen met onze handen aan geen Jodengoed. (…)  La je boeltje maar weer op, hoor! Jullie moeten je vleesch zelf maar opeten!’

Vrijwel niemand koopt bij slagerij Salomons en de dorpelingen zijn zeer vijandig. ‘Als zij zagen, dat hij een bestellinkje had van den tolbaas, den burgemeester, den dokter, dan was dat een nieuwe reden om hem te bemoeilijken, te sarren zelfs!’

Dorpsjongens schelden de slager geregeld uit. ‘De veldwachter deed niets, uit lafheid en omdat hij het heel begrijpelijk vond, dat ze zoo deden tegen den Jood.’

Ook Eli heeft het zwaar, vooral op school. ‘Als hij buiten de bescherming van meester was, werd hij geplaagd, gesard of gemeden.’

Op een dag verliest de slager zijn geduld. Hij geeft een kwajongen die steeds zijn hond de slagerij in stuurt een oorvijg en de hond een trap. De dorpelingen zijn razend. ‘Het dwaze vooroordeel tegen al wat Jood was zat er zóó diep in, dat niemand er eigenlijk over dacht, of er wel recht en reden was, zóó te doen.’ De dorpelingen drommen samen voor de slagerij, roepen ‘vuile jood’ en ‘stinkjood’, bonzen op de deur en gooien een raam in. Eli en zijn moeder zijn radeloos van angst, vader grijpt een mes om zich te verdedigen.

Opeens stopt het geraas – de burgemeester heeft ingegrepen. ‘Ze zullen niet meer terugkomen’, zegt hij met ontroerde stem. ‘Ik wist niet, dat ze zoo erg waren, ’t zijn echte dorpers, maar dat ze zóó dom zouden zijn.’

’s Avonds stuurt de burgemeester zijn zoons naar de slagerij met een mand vol eetwaar en een envelop met twee rijksdaalders. De volgende dag spreekt hij alle dorpelingen toe. Hij ‘vertelde de geschiedenis der Israëlieten, van de groote mannen onder hen, welk een beteekenis ze nog hadden voor onze welvaart, en hun noodlottige verstrooiing over de geheele wereld’.

De dorpelingen krijgen spijt en na een tijdje is alles anders. ‘Vader, moeder en Eli voelen het goed, zij behooren nu ook tot de dorpelingen. En ze zijn gaan houden van het kleine dorpje met de eenvoudige zielen, waar ze nu echt gelukkig leven.’

Doelgroep en receptie

Volgens uitgeverij Van Goor was het slotdeel van Zonnebloemen geschikt voor kinderen van 11 tot 14 jaar, zoals de titelpagina vermeldt. De verhalen waren, zo schrijft de uitgever in een beknopt voorwoord, bestemd voor de hoogste klassen van de lagere school en om ‘in het huisgezin’ te worden gelezen.

Van het slotdeel van Zonnebloemen zijn diverse besprekingen aangetroffen, maar daarin komt het verhaal ‘Eind goed, al goed’ niet ter sprake. De meeste recensies zijn erg oppervlakkig en volstaan met algemene opmerkingen als ‘de verhalen zijn frisch getint, geven het kind iets goed te leeren, dat niet boven zijn bevatting gaat’.

In de meest diepgravende bespreking wordt echter met name het slotdeel volledig afgekraakt. Die bespreking verscheen in 1914 in het tijdschrift De Vrouw; veertiendaagsch blad gewijd aan de onderlinge opvoeding der vrouw en is geschreven door de hoofdredactrice van dit tijdschrift, de (joodse) kinderboekenschrijfster Ida Heijermans. ‘Toen ik deze boeken ter beoordeeling ontving’, aldus Heijermans, ‘ben ik met groote belangstelling aan mijn taak van doorlezen begonnen. Want zeer smakelijk zijn de boeken uitgegeven. Al dadelijk (…) was ik geboeid door de Bruin’s teekeningen, die consciëntieus zijn opgevat en uitgewerkt.’

Maar die belangstelling verflauwde al snel, aldus Heijermans, omdat zij veel verhalen in de eerste twee delen ‘onkinderlijk en sentimenteel’ vond. Voor deel drie had ze geen goed woord over. ‘Ik heb zelden zoo’n verzameling van sentimenteele, onwerkelijke, slecht geschreven verhalen bij elkaar gezien. (…) Het is haast niet mogelijk een keus te doen om aan de voorbeelden te demonstreeren hoe opgeschroefd al de verhalen zijn, hoe kriebelig ze stemmen door het verzonnene-onmogelijke, zoogenaamd heldhaftige. Onze kinderen mogen ook voor dergelijke griezelig-zoete lectuur bewaard blijven.’