De poëzie van het aftakelen

Herdenking F. Starik – 1958-2018

Door Nico Keuning

Bijna een jaar geleden, op 16 maart 2018, overleed de dichter en schrijver F. Starik, pseudoniem van Frank von der Möhlen, op 59-jarige leeftijd. Een jaar voor zijn dood werd hij aan zijn hart geopereerd. Hij herstelde moeizaam, slikte Refusal tegen zijn drankverslaving en probeerde vergeefs van het roken af te komen. En hij schreef, want hij wilde ‘in de wereld’ blijven. Tot zijn hart het toch begaf. Deze maand is zijn boek Klaar verschenen als opvolger van Moeder doen, over het aftakelingsproces van zijn dementerende moeder. Maar tussen de bezoeken aan zijn moeder door heeft Starik over zijn eigen ziekte, de operatie en het moeizame herstel geschreven. In hoofdstuk V dringen wij zijn laatste maanden binnen.

Mijn eerste ontmoeting met F. Starik vond plaats in 2004. Frank had mij gevraagd om in Amsterdam in een bovenzaaltje van café-restaurant Kapitein Zeppos, adres Gebed zonder End, een workshop over de poëzie van Jan Arends te geven aan oud-psychiatrisch patiënten. Frank zat beneden aan een biertje. We praatten wat. Hij vertelde dat Adriaan Jaeggi was overleden en huilde, wat mij onmiddellijk voor hem innam. Hij heeft me nog eens gevraagd voor MAF, het Mad Arts Festival in Haarlem. Met enige regelmaat kwamen we elkaar in het literaire circuit tegen.

In december 2013 reisden we voor een reportage over zijn jeugd in Apeldoorn naar ‘het dorp A.’, naar de Bas Backerlaan, de ‘Bachlaan’ in de roman Moeder doen.  In een café kwam de dood van zijn vader ter sprake. Frank heeft in het uiterst originele brievenboek Mijn leven als museum uit 1993 over zijn vader geschreven. Toen zijn vader overleed, woonde Starik in Parijs. Hij keerde terug voor de begrafenis, vertelde hij tijdens onze wandeling in Apeldoorn. Zijn vader lag opgebaard in een kist. Van de tirannieke man was niet veel meer over: ‘De wilskracht was uit zijn gezicht verdwenen. Ik maakte een omvangrijke fotoserie. In die tijd wilde ik nog kunstenaar of fotograaf worden.’

‘Mijn vader,’ vertelde Starik, ‘heeft in zekere zin model gestaan voor de Eenzame Uitvaart. Hij werd in stilte begraven, wilde er niemand bij hebben. Na zijn dood kwam ik in contact met kunstenaars met wie ik een tentoonstelling organiseerde in Arti aan het Rokin. Als dertigers kwamen we erachter dat we volstrekt sprakeloos stonden tegenover de dood en dat we daar iets aan wilden doen. Dat viel samen met de hausse aan aids-doden. Ik vind het mateloos interessant: het einde.’

Voor de Eenzame Uitvaart, de begrafenissen voor onbekende doden die Frank vijftien jaar heeft verzorgd in samenwerking met de gemeente Amsterdam, leidde hij de Poule des Doods, een groep van dichters die op basis van het politierapport, de gegevens die door de Sociale Dienst worden aangeleverd, bij toerbeurt een gedicht schreven voor een begrafenis. Frank wees de dichter van dienst aan. Soms was hij zelf de dichter. Van elke eenzame uitvaart schreef hij een verslag. Het werden er 229. Met poëzie van onder anderen Neeltje Min, Menno Wigman, Anneke Brassinga en Tsead Bruinja, gebundeld in Eenzame uitvaart (2005) en Een steek diep (2011).

Bij de presentatie van de tweede, herziene druk van Angst voor de winter, de biografie van Jan Arends in 2014, trad Frank op als zanger met de band De Kift. We liepen elkaar na afloop tegen het lijf. Frank: ‘Zeg, ben jij eigenlijk doc-torrrr?’ Niemand kon dat woord zo uitspreken als Frank. Daarin lag zijn hele wezen: hoge stem, ironie en ernst.

De toon van Starik in zijn oeuvre is zakelijk en droogkomisch. Ook in De gastspeler (2009) waarin hij de bewoners van zijn trappenhuis beschrijft en de directe omgeving van de Staatsliedenbuurt in Amsterdam. Zijn Staatsliedenbuurt in zijn Amsterdam. Hij was van 2010 tot 2012 stadsdichter van de hoofdstad. Hiervoor ontving hij bij zijn afscheid het Ereteken van Verdienste van burgemeester Eberhard van der Laan.

Het intense leven van roker en drinker, dichter en schrijver, performer en organisator eiste zijn tol. Na hartklachten meldde hij zich bij de huisarts die hem adviseerde minder te drinken. Maar drank was voor de verlegen dichter de brandstof voor zijn performance, in het café en op het podium. Het lijkt erop dat Starik zich al voor de eerste hartaanval bewust was van zijn naderend einde. Er schuilt al zoveel afscheid in zijn laatste dichtbundel STAAT (2015). Het gedicht ‘JA’, begint zo:

Dit is je tiende bundel
die de wereld weer niet zal veranderen.
Dit is de tiende bundel die zegt
dat je bestond, een recensent
zal het mooi vinden en een tweede
criticus zal opmerken dat
het allemaal door iemand anders
al eens sterker
en ook beter werd gezegd.
Ja, die kans bestaat.

Tegen de drank slikte hij Refusal, maar niet roken was een zware strijd: ‘Ik wil gewoon van het gezeik af,’ schrijft hij in Klaar, ‘het stemmetje dat honderd keer per dag roept: roken! roken! roken!’ Er volgen maanden van therapie, de sportschool, medicijnen en schrijven. Als in maart 2018 Franks ‘lief’ Vrouwkje Tuinman hem opbelt krijgt ze geen reactie. In het ‘nawoord’ van Klaar schrijft zij: ‘Het duurt een tijdje voor ik 112 ervan heb overtuigd dat ik een nieuwe deur zal betalen als de huidige voor niets opengebroken moet worden. Maar dan komt zowel de politie als de brandweer als een ambulance. Ik vind Frank in bed. De deur is niet voor niets opengebroken.’

Dit bericht is geplaatst in column met de tags . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter