Brul admiratie! Oosterhoff gans de natie

Door Jos Joosten

Ik ben geen bibliofiel maar ik koop wél teveel boeken. Zo vond ik nu, een stapeltje boeken inpakkend voor een paar dagen Achterhoek, de laatste essaybundel terug van Tonnus Oosterhoff Een kreet is de ramp niet. Vorig jaar meteen gekocht, op de stapel ‘te lezen’ gelegd en toen straal vergeten. Tragisch en onvergeeflijk – voor hetzelfde geld had die daar nog gelegen omdat ik zo nodig het Boekenweekgeschenk (‘boekenweekgeschenk’) moest lezen of zo.

Oosterhoffs essays zijn fantastisch, daar kan ik kort over zijn. Nu ben ik bevooroordeeld als groot bewonderaar van zijn poëzie: hij is een van de drie, vier dichters die maatgevend zijn geweest voor mijn idee van dichtkunst. Zijn essays zijn veel eenduidiger, hoewel hij ook hier af en toe ongeschreven essay-regels van harte overtreedt (door bij voorbeeld een compleet vertaald hoofdstuk van H.G.Wells op te nemen in een van de stukken, of een hele pagina lang titels uit de ouderlijke boekenkast aan te halen). En welbeschouwd vind je ook her en der van die Oosterhoff-zinnen met een haakje, zoals de openingszin van het eerste essay: ‘Was onze kennis van de wereld nog maar zoals die nooit geweest is: ordelijk, hiërarchisch.’

De stukken in Een kreet is de ramp niet zijn persoonlijker dan ik van Oosterhoff gewend ben. Hij maakt op uiteenlopende manieren de balans op van zijn eigen schrijverschap – meestal in het licht van het onvermijdelijk ouder worden – met de (eigen) dood als brommend grondmotief. Hij is daarbij opvallend zelfverzekerd over de kwaliteit van zijn eigen werk, maar ook zeer openhartig over de geringe reikwijdte ervan. ‘Mijn poëzie heeft al geruime tijd een vaste koperskring, de eerste druk raakt meestal wel verkocht en als ik een literaire prijs krijg – ik ben nogal verwend met prijzen – volgt er een tweede. (…) Mijn proza en essays moeten het stellen met een nog kleiner publiek.’ En elders: ‘Ik ben dolblij met de lezers die ik heb. Ik klaag daar niet over, maar verbaas me (nee, ik klaag, laat ik eerlijk zijn) over het feit dat zal deze positieve aandacht nooit tot een groter publiek heeft geleid.’

Daarbij speelt een dwarse paradox: Oosterhoff wil niet als persoon tussen de lezer en zijn werk in gaan staan, maar ziet ook dat zonder interviews en dergelijke die aandacht heden niet gegenereerd zal worden. Oosterhoffs analyse van het fenomeen (sport)interview zijn even messcherp als hilarisch. ‘Ik denk dat in mijn wasmachine een ingewikkelder programma draait dan in de sportjournalist’.

‘Een kreet is de ramp niet’ opent met twee lange essays: het eerste is een heel mooi stuk over Jeroen Mettes, het tweede analyseert een aantal compositiefouten in ‘De donkere kamer van Damokles’ van W.F.Hermans. Opmerkelijk, omdat die roman de (literatuur)geschiedenis ingegaan is als perfect gecomponeerd boek, waaraan Hermans bleef sleutelen om er de laatste inconsistenties uit te halen.

Oosterhoff is overtuigend (en respectvol) in zijn nuchtere analyse. Aan mij is zo’n secure ontleding absoluut besteed en ik las de pagina’s meer dan geboeid. In een in het boek toegevoegde epiloog (het essay stamt oorspronkelijk uit 2005) bekent Oosterhoff dat de respons op het stuk hem was tegengevallen: het was doodstil gebleven. Waarom had geen van de verklaarde Hermans-kenners niet gereageerd op zijn (inderdaad) tamelijk opzienbarende nieuwe kijk op het boek?

‘Ik was, en ben nog steeds, verbijsterd over het ontbreken van respons. Hoe moet ik dit interpreteren? Honderd keer heb ik me afgevraagd, en ik ben nooit verder gekomen dan deze ene verklaring, malicieus wellicht, maar niet onredelijk: de Hermans-kenners stonden met hun mond vol tanden.’

Ik vrees, eerlijk gezegd, dat de verklaring veel prozaïscher is: Oosterhoffs bevindingen zijn stomweg geen actueel item in de neerlandistiek. Ten eerste zeer praktisch: de universitaire Hermans-kenners zijn met pensioen of andere dingen gaan doen; ten tweede: dit soort werkimmanente, technische (‘merlinistische’) analyse heeft de literatuurwetenschappelijke aandacht niet meer. Toen ik studeerde werd een verhalenbundel van Hermans bij proza-analyse nog werkcollege na werkcollege verhaal na verhaal ‘geanalyseerd’: toen al vroegen wij ons tijdens koffiepauzes of in de kroeg achteraf af wat nu eigenlijk het nut was van deze wekelijkse herhaaloefening.

Blijft staan dat in Oosterhoffs analyse volledig overtuigend een van de mythes rond Hermans schrijverschap ontkracht wordt. Is dat dan niet aandacht waard buiten kringen van de kenners? Ik zou zeggen van wel – maar het illustreert ook de tragische omstandigheid dat de bredere publieke aandacht voor onze klassiekers zo goed als afwezig is.

Triest genoeg strekt die gebrekkige aandacht zich uit tot ‘Een kreet is de ramp niet’ zelf. Ik heb even gecheckt: een serieuze recensie kreeg Oosterhoffs fraaie boek alleen in ‘De groene Amsterdammer’(so wie so steeds meer het Gallische dorp van de literatuurkritiek). Verder her en der wat signalementen. Ik zei het al: tragisch en onvergeeflijk.

Tonnus Oosterhoff. Een kreet is de ramp niet. Amsterdam, De Bezige Bij, 2018.