Ze vonden haar een eindje verderop liggen

Door Henk Wolf

Ze zag [de dode begraven worden].
We horen [de doofstomme beul haar neus breken],
Iedereen hoorde [het hard waaien].
Ik vind [het hier stinken].
Hij voelde [een vuist vlak langs zijn oor suizen].

De bovenstaande zinnen laten zien dat de werkwoorden zien, horen, vinden en voelen als lijdend voorwerp een beknopte bijzin kunnen nemen. Dat zijn de stukjes tussen vierkante haken. Wie iets van de klassieke talen weet, herkent in deze zinnen de infinitivus cum accusativo (of accusativus cum infinitivo).

Je kunt die beknopte bijzinnen steeds met minimaal betekenisverschil vervangen door een gewone bijzin. Dan krijg je:

Ze zag [dat de dode begraven werd].
We horen [dat de doofstomme beul haar neus breekt].
Iedereen hoorde [dat het hard woei].
Ik vind [dat het hier stinkt].
Hij voelde [dat er een vuist vlak langs zijn oor suisde].

Ook in die zinnen staat het lijdend voorwerp tussen vierkante haken.

Variatie

Nou verschilt het per persoon en per regio welke werkwoorden zo’n beknopte bijzin als lijdend voorwerp kunnen krijgen. Met zien en horen lukt het bij mijn weten overal. Met voelen en vinden is het voor sommige sprekers al wat lastiger. Nog minder goed wil het met ruiken, maar ook bij dat werkwoord komt het voor.

In de grammatica’s van het Fries wordt meestal fernimme (‘bemerken’) expliciet genoemd als werkwoord dat in die taal wel zo’n beknopt lijdend voorwerp bij zich kan hebben, maar in het Nederlands niet. Een Friese zin als de onderstaande is dan ook niet letterlijk in het Nederlands te vertalen (althans voor de meeste Nederlandstaligen):

Se fernaam de ynbrekker de trep op kommen.
(“ze merkte de inbreker de trap op komen”)

Hierboven noemde ik vinden als voorbeeld van een Nederlands werkwoord dat vrij algemeen een beknopte lijdendvoorwerpszin kan krijgen. Dat is dan het werkwoord vinden in de betekenis ‘van mening zijn’. In de Friese grammatica’s tref je dat werkwoord doorgaans niet aan, vermoedelijk omdat dat werkwoord in die betekenis als hollandisme wordt beschouwd.

Vinden

Wat je in het Fries wel tegenkomt, maar wat ik in de moderne grammatica’s niet heb aangetroffen, is dat het werkwoord fine (‘vinden’) in de betekenis ‘aantreffen’ er zo’n beknopte lijdendvoorwerpszin kan krijgen. Ik werd me er pas bewust van toen ik kortgeleden in de volksverhalenverzameling van Ype Poortinga het verhaal Bloedplakken op ‘e skuordoarren las. Poortinga heeft het verhaal in 1977 opgetekend uit de mond van Pyt Idzinga. In het verhaal staan de volgende zinnen:

Se hienen dy âld boer by de skuordoar lizzen fûn en syn húshâldster fûnen se in eintsje fierder lizzen.
(“ze hadden die oude boer bij de schuurdeur liggen gevonden en zijn huishoudster vonden ze een eindje verder liggen”)

Toen ik even verder zocht, vond ik in de Rimen en teltsjes van de gebroeders Halbertsma nog:

Yn syn âlde lapekoer haw ik jit ek in rymke op Gysbertom lizzen fûn.
(“in zijn oude lappenmand heb ik nog ook een rijmpje op oom-Gijsbert liggen gevonden”)

… dêr in boer it harterke kritende lizzen fûn.
(“waar een boer het kind huilend liggen vond”)

Ik geloof niet dat ik dit fine in de zin van ‘aantreffen’ zelf zo vlug met zo’n beknopte bijzin erbij zou gebruiken, maar de zinnen klinken me ook niet raar in de oren. Opvallend is wel dat een variant met een gewone bijzin niet lijkt te kunnen:

Se fûnen dat syn húshâldster in eintsje fierder lei. <klinkt niet goed>

Nederlandse voorbeelden

In het Nederlands heb ik ook even gezocht. Recente gevallen heb ik niet kunnen vinden, maar wel een paar uit ietsjes ouder Nederlands. In de DBNL vond ik onder andere het volgende voorbeeld uit De uitvreter van Nescio:

Den uitvreter, dien je in je bed vond liggen met zijn vuile schoenen …

En in een volksliedje uit de zeventiende of achttiende eeuw:

Al op een wegetje onbedagt vond ik een magetje zitten verborgen onder de boomtjes daer ’t soo groene was.