Waarom historische taalkunde?

Daarom Neerlandistiek!

Neerlandistiek begint vandaag een nieuwe onregelmatig verschijnende serie waarin mensen uit alle hoeken van de samenleving uitleggen wat ze hebben aan de Neerlandistiek. De eerste aflevering is van een van de bekendste neerlandici van Nederland, Nicoline van der Sijs van het Meertens Instituut en de Radboud Universiteit! Stuur uw bijdragen naar de redactie.

Door Nicoline van der Sijs

Een paar keer per jaar stroomt de e-mailbox vol met vragen van scholieren, en dan weet je: het is weer profielwerkstukkentijd! Koppeltjes scholieren stellen allerlei vragen over een door hen gekozen onderwerp: hoe zit het met leenwoorden in het Nederlands? Hoe verandert de taal, en hoe komt dat? Sommige scholieren stellen ook een meer existentiële vraag: waarom zouden we na de middelbare school kiezen voor de studie historische taalkunde of etymologie? Goede vraag! Hieronder een – toegegeven, subjectief – antwoord: een pleidooi voor de historische taalkunde.

Praktische kennis

Laten we beginnen met een praktisch argument. We worden tegenwoordig overspoeld met meningen en beweringen, en die worden vaak onderbouwd met gegevens uit het verleden. De kerstboom is een uitvinding van de Germanen, Zwarte Piet bestaat al eeuwen, het Nederlandse polderen is ontstaan in de 17e eeuw, et cetera. Klopt dat wel? Om dat te factchecken moet je oude bronnen raadplegen. En die zijn tegenwoordig in overvloed op internet aanwezig. Maar: je moet de oude teksten kunnen lezen en interpreteren, en daarvoor is kennis van taalverandering en betekenisverandering noodzakelijk. Bovendien moet je de juiste bronnen weten op te sporen en de waarde van de verschillende bronnen kennen. Al die zaken leert de historische taalkunde.

Relativiteitszin

De historische taalkunde bestudeert hoe het moderne Nederlands is ontstaan uit oudere taalfasen en waar de taal- en spellingsregels die iedereen op school leert, vandaan komen. Het toepassen van die regels is niet meer dan een kunstje, waar maar weinig mensen plezier aan beleven. Veel interessanter wordt het echter als je de bron van die regels kent. Dan blijkt o.a. dat de regels die nu op school worden geleerd, veelal vrij toevallig tot stand zijn gekomen. Zo werd in de 17e eeuw druk gediscussieerd over de werkwoordspelling. Iedereen was het eens over het uitgangspunt: de spelling diende gebaseerd te zijn op het principe van de gelijkvormigheid, dat ook bijvoorbeeld voorschrijft dat we hond spellen met een d vanwege het meervoud honden. Maar bij de werkwoordspelling kun je met dit principe alle kanten op, en dat deden de 17e-eeuwse geleerden dan ook. De een pleitte voor hij word naar analogie van worden (zoals hond naar honden), de ander voor hij eett naar analogie van hij loopt, een derde wilde hij speeld spellen naar hij speelde, een vierde pleitte voor gehoort naar hij hoort, en weer een ander propageerde gevoedt naar hij voedt.

Uiteindelijk zijn in de 18e eeuw de huidige regels vast komen te liggen, maar het is kristalhelder dat dit een willekeurige keuze is geweest die net zo goed anders had kunnen uitvallen. Als je dat weet, kun je de regels veel gemakkelijker onthouden, omdat je je bewust bent geworden van het achterliggende keuzemechanisme. Bovendien relativeer je voortaan gemakkelijker fouten tegen de werkwoordspelling: de afgesproken spelling is ook maar een – beredeneerde – visie. Vertel dat eens aan iemand die een belerend vingertje opsteekt als hij je op een spelfout meent te betrappen, en kijk hoe de discussie zich dan verder ontwikkelt…

In het algemeen zorgt kennis van de historische taalkunde voor een relativerende, kritische blik op taalregels. Waar komt eigenlijk de regel vandaan dat passieve zinnen in een tekst moeten worden vermeden? En waarom zou je een zin niet mogen beginnen met en of maar? Wie heeft deze regels ooit bedacht en met welke motivatie? Is er ooit onderzoek gedaan naar het effect en de zin hiervan?

Taal als spiegel van de cultuur

Begin 20e eeuw constateerden taalkundigen dat de geschiedenis van woorden nauw is verbonden aan de zaken die ze benoemen. De bestudering van de oorsprong en geschiedenis van woorden, de etymologie, geeft inzicht in culturele en maatschappelijke veranderingen: taal is een spiegel van de cultuur. Als bijvoorbeeld in een bepaalde periode veel woorden zijn overgenomen uit een bepaalde taal, is dat een bewijs dat die taal op dat moment sterke invloed had op het Nederlands. Die invloed kan het gevolg zijn van de politieke situatie. Zo nam het Nederlands veel Franse woorden over in de napoleontische tijd. Het kan ook gaan om culturele invloed, denk aan de vele Italiaanse leenwoorden op het gebied van kunst en muziek (opera, torso). Ook immigranten kunnen invloed op de taal hebben; zo zijn recent woorden als doekoe ‘geld’ en pattas ‘schoenen’ via Surinaamse jongeren populair geworden in de straattaal.

Ook het ontstaan van nieuwe woorden of nieuwe betekenissen wijst op veranderingen in de maatschappij. Etymologisch onderzoek brengt dergelijke veranderingen aan het licht. Trouwens, ook het principe van de etymologische spelling, dat bijvoorbeeld voorschrijft dat we ambt met een b spellen en erwt met een w, wordt een stuk inzichtelijker met enige kennis van de etymologie.

Fundamentele vragen

Voor wetenschappers in de dop zijn de fundamentele vragen die de historische taalkunde onderzoekt, intellectueel het meest uitdagend. Centraal staat de vraag hoe en waarom taal in de loop van de tijd verandert. Dát taal verandert is daarbij een gegeven – al zijn er altijd ijverige types die een verontwaardigde ingezonden brief naar de krant sturen als ze een nieuwe uitdrukking of een nieuw woord hebben gelezen, vooral als het een verderfelijk Engels leenwoord betreft. Die types zouden zich wat meer moeten verdiepen in de historische taalkunde en daaruit bijvoorbeeld kunnen leren dat veel leenwoorden vanzelf uit het Nederlands verdwenen is, zonder menselijk ingrijpen, gewoon omdat het woord of de zaak waarnaar ze verwezen achterhaald is geraakt: van Engelse leenwoorden blijkt dat ongeveer de helft na enkele decennia al niet meer worden gebruikt.

Taal verandert dus. Maar, zo blijkt uit onderzoek, niet in gelijk tempo. En niet alle onderdelen van een taal veranderen: de woordenschat is het meest veranderlijk, terwijl sommige grammaticale verschijnselen eeuwenlang constant blijven. Historisch taalkundigen onderzoeken nu welke wetmatigheden en patronen hieraan ten grondslag liggen, en welke interne en externe factoren invloed hebben op taalverandering. Inmiddels is duidelijk dat taalcontact en meertaligheid een belangrijke rol spelen: als er veel contact is met mensen die een andere taal of een ander dialect als moedertaal hebben, dan kan dat, naast het overnemen van leenwoorden, ook leiden tot structurele veranderingen in de woordvorming of grammatica. Zo worden met het oorspronkelijk Franse achtervoegsel –age (bekend geworden via leenwoorden als garage en etalage) nieuwe Nederlandse afleidingen gemaakt als lekkage en stellage. Ook sociale factoren spelen een rol, zoals het prestige van een taal of van taalgebruikers. Dat er momenteel veel Engelse woorden korte tijd in de mode zijn, heeft te maken met het hoge prestige van de Engelse taal. Terwijl prestigieuze vormen bewust worden overgenomen, verbreiden niet-prestigieuze vormen zich ongemerkt. Een mooi voorbeeld daarvan is hun als onderwerpsvorm: hun hebben dat gedaan. Veel mensen keuren dit af, maar ondertussen komt het steeds vaker voor en uiteindelijk zal het wel algemeen geaccepteerd worden. Een van de vragen die historisch taalkundigen bezighoudt is wat het succes van dergelijke niet-prestigieuze vormen verklaart.

De fundamentele vragen over het hoe en waarom van taalverandering zullen we in de 21e eeuw niet oplossen, maar ieder jaar begrijpen we er meer van. Alle knappe koppen die mee willen helpen om het inzicht te verdiepen, zijn meer dan welkom… Hoe meer we weten over taalverandering en taalcontact, hoe beter we moderne vraagstukken kunnen oplossen zoals de beste manier om minderheden te helpen integreren in een samenleving en de rol die taalonderwijs daarin kan spelen.

Daarom historische taalkunde!

Er zijn nog veel meer argumenten te bedenken voor de studie historische taalkunde. Historisch taalkundigen leren door het soort vragen waarmee zij zich bezighouden, automatisch een kritisch-reflectieve houding aan. De studie leidt niet op tot een bepaald vak, maar dat lijkt in de 21e eeuw een groot voordeel: door internationalisering en digitalisering verandert de inhoud van banen momenteel voortdurend. Letterenstudenten hebben de flexibiliteit die in deze tijd nodig is.

Uiteindelijk zijn echter plezier en interesse de belangrijkste argumenten om voor historische taalkunde te kiezen. Het is, kan ik uit persoonlijke ervaring zeggen, een prachtig vak dat zich bezighoudt met fundamentele vragen en razend interessante gegevens. Een bijkomend voordeel is dat je als historisch taalkundige nooit met je mond vol tanden hoeft te staan op een verjaardagspartijtje.