Waarom ‘driede’ makkelijker is dan ‘derde’

Door Marc van Oostendorp

Het leukste, het allerleukste, van de taalkunde is geloof ik dat je je steeds weer kunt verwonderen over het alledaagse. Neem de Nederlandse rangtelwoorden:

  • eerste, tweede, derde, vierde, vijfde, zesde, zevende, achtste, negende, tiende, elfde, twaalfde,….

Een eenvoudig rijtje. Derde is een beetje vreemd, want  zou regelmatiger zijn. Zoals eerste en achtste een uitgang –ste hebben die pas weer opduikt bij getallen groter dan negentien.

Ach, ja, zou je denken, de kleine kronkelingen van de taal. Tot je het proefschrift leest waarop Caitlyn Meyer vandaag aan de Universiteit van Amsterdam promoveert. In dat boek (Rule and order. Acquiring ordinals in Dutch and English, nog niet online, maar maandag waarschijnlijk wel) doet zij verslag naar de manier waarop kinderen die rangtelwoorden leren.

Op het eerste gezicht lijkt dat misschien weinig verrassend, waarschuwt ze aan het begin van het boek. Kinderen leren de rangtelwoorden na de hoofdtelwoorden (één, twee, drie,…) Bovendien leren ze derde over het algemeen later dan vierde, en ze begrijpen zelfs driede in eerste instantie beter. 

Zijn rangtelwoorden niet inderdaad ingewikkelder dan hoofdtelwoorden? En is een regelmatige vorm niet simpeler dan een ondoorzichtige zoals derde?

Kennelijk wel, maar Meyer legt uit dat geen van tweeën zo voor de hand liggend is als je zou denken. Hoofdtelwoorden en rangtelwoorden gaan over verschillende vormen van tellen. Met hoofdtelwoorden tel je de omvang van een groep: dat zijn 1, 2, 3, 4, 5 ganzen. De volgorde waarin je die ganzen telt, doet er niet toe. Met rangtelwoorden tel je (de naam zegt het al) de plaats van individuen in een bepaalde lijst: dit is de eerste, tweede, derde, vierde, vijfde gans. Nu doet de volgorde waarin je de ganzen aanwijst er wel degelijk toe.

Het is vooral het feit, laat Meyer zien, dat woorden als tweede en vierde als woorden iets complexer zijn: ze hebben het elementje -de, die maakt dat we rangtelwoorden wat later leren. Kinderen vinden de constructie dat is gans vijf, waarin we hoofdtelwoorden gebruiken om te tellen als rangtelwoorden gemakkelijker te begrijpen, hoewel die constructie in het Nederlands heel zeldzaam is en dus niet zo veel voorkomt.

Dat laatste is ook cruciaal voor Meyers begrip van de moeizaamheid van derde. Kinderen vinden die vorm in hun eerste jaren moeilijker te maken én te begrijpen dan driede, hoewel ze die laatste vorm nooit van volwassenen horen.

Kennelijk is de regelmaat dus vreselijk belangrijk – belangrijker dan wat je om je heen daadwerkelijk hoort. De vorm derde komt best vaak voor, en volgens sommige theorieën over leren van taal is dat het enige dat ertoe doet: je leert de vormen zoals ze zich aan je voordoen en pas na verloop van tijd haal je daar de regel uit. Zo lijkt het bij werkwoorden te werken: kinderen leren eerst ik liep, omdat die vorm nu eenmaal vaker voorkomt dan ik wandelde, raken dan een tijdje in de war, en zeggen eventueel ik loopte. 

Maar bij de rangtelwoorden heeft de regel dus altijd prioriteit, misschien omdat ze gebaseerd zijn op een wiskundig systeem.

Een bijzonder geval is nog eerste. Meyer laat zien dat kinderen dat helemaal niet behandelen als een al dan niet uitzonderlijk rangtelwoord. Ze leren het zelfs niet tegelijkertijd met derde, maar tegelijkertijd met andere overtreffende trappen zoals mooiste en grootste. Je kunt het zo natuurlijk ook zien, als de overtraffende trap van eer: de eerste is degene die eerder komt dan alle andere. Waarom we dan daarnaast niet ook een woord eende of eenste hebben, met andere woorden waarom we geen rangtelwoord hebben dat met 1 correspondeert,  is me niet helemaal duidelijk.

Kinderen worden in de eerste jaren van hun leven geconfronteerd met de verbazingwekkend ingewikkelde taak om systeem te ontdekken in wat hun ouders zoal de hele dag zeggen. Zelfs bij zoiets betrekkelijk mathematisch als rangtelwoorden blijkt dat geen sinecure. Dat heeft Meyer overtuigend laten zien.

Caitlyn Meyer. Rule and Order. Acquiring ordinals in Dutch and English. Amsterdam: LOT, 2019.

 

 

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , , . Bookmark de permalink.

2 reacties op Waarom ‘driede’ makkelijker is dan ‘derde’

  1. Marcel Plaatsman schreef:

    “Met hoofdtelwoorden tel je de omvang van een groep: dat zijn 1, 2, 3, 4, 5 ganzen. De volgorde waarin je die eenden telt, doet er niet toe.”

    Ik schrik hier enorm van.

Laat een reactie achter